WAB: Premiedifferentiatie WW naar de aard van het contract per 1 januari 2020

Wonen en bouw, Kunst en cultuur, Foodretail, Zorg en Welzijn, Arbeidsrecht Datum: 18 november 2019

Premiedifferentiatie WW naar de aard van het contract

Huidige situatie

De eerste 6 maanden van WW-uitkering worden op dit moment gefinancierd uit 67 verschillende sectorpremies. In een aantal sectoren met veel seizoenswerkloosheid (zoals agrarisch, bouw, horeca) is de sectorpremie gedifferentieerd naar contractduur. Voor contracten met een duur korter dan één jaar wordt een hoge premie betaald en voor contracten met een duur van minstens één jaar of voor onbepaalde tijd wordt een lage premie betaald. De hoge premie is minimaal vijf keer zo hoog als de lage premie. Na de eerste 6 maanden worden WW-uitkeringen gefinancierd via het Algemeen Werkloosheidsfonds (Awf).

Wijzigingen onder de WAB

Werkgevers betalen vanaf 1 januari 2020 een lage WW-premie voor werknemers in vaste dienst (niet zijnde oproepcontracten) en voor werknemers met een flexibel contract een hoge WW-premie. De wetgever beoogt hiermee het aangaan van vaste contracten te stimuleren. De aard van het contract moet blijken uit de loonstrook. De lage premie is ook van toepassing in de volgende situaties, zo lang er maar geen sprake is van een oproepovereenkomst:

  • Contracten waarbij de arbeidsomvang per jaar is overeengekomen, mits het recht op loon gelijkmatig over het jaar is gespreid (jaarurennorm).
  • Bij consignatie- en bereikbaarheidsdiensten in enkele zorgsectoren (verpleging en verzorging, artsen, verloskundigen en ambulancezorg), mits deze diensten worden vergoed of gecompenseerd in betaalde vrije tijd.
  • Bij arbeidsovereenkomsten met een vast aantal uren, maar geen vastgelegde te werken tijdstippen per week.

Onder de lage premie mogen echter maar maximaal 30% meer uren (overwerk) worden verloond dan de overeengekomen vaste arbeidsomvang. Bij overschrijding van de 30% grens wordt met terugwerkende kracht de hoge premie van toepassing, tenzij sprake is van een voltijds contract (>35 uur per week).

Er is één uitzondering op de hoofdregel dat de lage premie alleen mag worden afgedragen bij een vast contract. Die geldt voor schriftelijke arbeidsovereenkomsten aangegaan in het kader van een leerwerktraject in de beroepsbegeleidende leerweg (BBL-traject).

Om misbruik/omzeiling te voorkomen kan de lage premie in de volgende situaties worden herzien naar een hoge premie, ook als sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, niet zijnde een oproepcontract:

  1. De dienstbetrekking wordt binnen twee maanden (de proeftijd) na aanvang beëindigd.
  2. De werknemer krijgt binnen een kalenderjaar 30% of meer uren verloond dan voor dat jaar contractueel was overeengekomen.
  3. De werknemer krijgt binnen een jaar na aanvang van de dienstbetrekking een WW-uitkering door arbeidsuren- of inkomstenverlies bij de werkgever.
  4. De werknemer krijgt een WW-uitkering, terwijl maximaal 1 jaar eerder bij dezelfde werkgever de lage premie is herzien omdat dezelfde werknemer binnen 1 jaar na aanvang van de dienstbetrekking een WW-uitkering kreeg uit hoofde van diezelfde dienstbetrekking.

Deze herzieningssituaties hebben uiteraard geen invloed op de uitkeringsrechten van werknemers.

De hoge premie zal vijf procentpunt hoger zijn dan de lage premie en wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Met de sociale partners zal van tijd tot tijd overleg plaatsvinden over de hoogte van de premie.

Als onderdeel van de introductie van premiedifferentiatie naar de aard van het contract, is ook de verplichting gecreëerd om op de loonstrook te vermelden of het gaat om een schriftelijk aangegane arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en of er sprake is van een oproepcontract.

Neemt een werkgever opzettelijk verkeerde informatie over de aard van de arbeidsovereenkomst op de loonstrook op dan is er sprake van valsheid in geschrifte ex artikel 225 Wetboek van Strafrecht. De werkgever kan daarvoor strafrechtelijk  vervolgd worden. Wanneer  de Belastingdienst kan aantonen dat sprake is van grove schuld of opzet, kan aan de werkgever een vergrijpboete worden opgelegd (art. 67f AWR). De maximale boete die kan worden opgelegd is 100% van de niet of niet tijdig betaalde premie.