Inhoudsopgave

Crimineel verleden niet altijd reden om VOG te weigeren

Een vrouw vraagt een verklaring omtrent gedrag (VOG) aan omdat ze in de gezondheidszorg wil werken. Dat wordt afgewezen omdat zij enkele jaren eerder brand heeft gesticht met de dood tot gevolg. De rechtbank Amsterdam oordeelt dat de vrouw desondanks een VOG moet krijgen.

Als de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de VOG weigert, gaat de vrouw in beroep bij de rechtbank. Die toont begrip dat de staatssecretaris terughoudend is geweest: het ging immers om zeer ernstige misdrijven die de vrouw had gepleegd. Echter, volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd hoe alle omstandigheden van het geval van invloed zijn op de beoordeling van de aanvraag. Het gaat daarbij vooral om het gewicht dat wordt toegekend aan de recidive-inschatting en het feit dat stabiele huisvesting en een baan ook beschermende factoren zijn.

Afweging

De rechtbank stelt dat de staatssecretaris geen kenbare afweging heeft gemaakt tussen het belang van de vrouw en het algemeen belang van bescherming van de samenleving. Zo heeft de staatssecretaris de belangen van haar zoon niet meegenomen: wat betekent de weigering van een VOG aan zijn moeder voor hem?

Resocialisatie

Ook de rechtbank benadrukt dat de vrouw zeer ernstige misdrijven heeft gepleegd. Maar in detentie heeft zij aan haar resocialisatie gewerkt. De Reclassering heeft haar ondersteund om te gaan werken in de zorg. Met een baan kan zij als alleenstaande moeder de huur betalen en zorgen voor haar zoon. Zij kreeg al drie keer eerder een VOG en heeft haar leven nu, met deze baan, op orde. Een weigering van een nieuwe VOG vormt een reëel risico dat de stabiliteit die de vrouw heeft gecreëerd voor haarzelf en haar zoon in het geding komt.

Belang van het kind

De zoon is gedurende de detentie bij zijn oma geplaatst en daar emotioneel verwaarloosd. Nu is de thuissituatie stabiel en liefdevol. Hij begint op de middelbare school, een belangrijke en vormende periode in de ontwikkeling van een kind. De rechtbank acht het niet in het belang van het kind dat de vrouw nu haar baan verliest met alle gevolgen van dien. Wat ook meespeelt is dat vrouw gedupeerde is van de toeslagenaffaire. De rechtbank vindt invoelbaar dat de afwijzing van de VOG extra hard aankomt, juist ook omdat zij met behulp van de overheid is gaan werken in de zorg en ook meende het vertrouwen te hebben gekregen door de eerdere (ten onrechte verleende) VOG’s.

Onevenredig

Gelet op deze bijzondere omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de gevolgen voor de vrouw en haar zoon, bij afwijzing van de VOG, onevenredig zijn. Zij werkt al in de zorg en heeft daar openheid van zaken gegeven. Het risico op recidive wordt laag ingeschat. Zij betaalt af op de schulden aan de slachtoffers. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris alsnog een VOG moet verstrekken.

ECLI:NL:RBAMS:2026:8480

 

Bron:Rechtbank Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:RBAMS:2026:8480 AMS 25/7411 | 24-08-2026
Facebook
LinkedIn
Print
X

Meer weten?

Neem contact met ons op!

Mail