Een dansgezelschap vraagt een meerjarige subsidie aan. De aanvraag wordt afgewezen op basis van een negatief advies van een adviescommissie. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vindt dat een nieuw besluit moet worden genomen, omdat er schijn van belangenverstrengeling is in de adviescommissie.
Een dansgezelschap vraagt bij de Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten een jaarlijkse subsidie van € 370.000 aan in het kader van een meerjarige subsidieregeling voor podiumkunsten. Een onafhankelijke adviescommissie, bestaande uit negen leden en een voorzitter, beoordeelt de aanvraag.
Afwijzing
De commissie oordeelt dat de artistieke kwaliteit van het dansgezelschap zwak is. Andere criteria – publieksfunctie en geografische spreiding – scoren voldoende tot ruim voldoende. Omdat de artistieke kwaliteit doorslaggevend is, komt de aanvraag niet voor subsidie in aanmerking. Het fonds neemt het advies over en wijst de aanvraag af.
Rechtbank ziet geen belangenverstrengeling
In bezwaar en beroep blijft dat besluit in stand. De rechtbank oordeelt dat het fonds mag afgaan op het advies. Volgens de rechtbank is niet gebleken van een persoonlijk belang of vooringenomenheid bij de adviseurs, ondanks eerdere negatieve recensies over het werk van het gezelschap door één van de adviseurs. Het gezelschap gaat in hoger beroep bij de Afdeling.
Toets op zorgvuldigheid
In hoger beroep bekijkt de Afdeling of het advies zorgvuldig tot stand is gekomen. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht moet een bestuursorgaan vanuit die zorgvuldigheid niet alleen daadwerkelijke belangenverstrengeling voorkomen, maar ook de schijn daarvan vermijden. De Afdeling benadrukt dat een bestuursorgaan in beginsel mag afgaan op een deskundig advies, mits het zorgvuldig tot stand komt en begrijpelijk is gemotiveerd. Maar als concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de onpartijdigheid, moet daar serieus naar worden gekeken.
Te intensieve samenwerking
Volgens de Afdeling is in dit geval sprake van schijn van belangenverstrengeling bij twee adviseurs uit de adviescommissie. De eerste adviseur werkte jarenlang intensief samen met een concurrerende aanvrager in dezelfde subsidieronde. Hoewel die samenwerking eindigde voor de aanvraagperiode, was de samenwerking in het verleden zo intensief dat van onafhankelijkheid niet kan worden gesproken, aldus de Afdeling.
Overlap met kritische recensies
De tweede adviseur liet zich als recensent herhaaldelijk kritisch uit over het werk en zelfs het talent van de artistiek leider van het aanvragende dansgezelschap. In het advies van de adviescommissie keren vergelijkbare kwalificaties als die in de recensies terug. Die overlap wekt bij de Afdeling de schijn van vooringenomenheid. Dat de adviescommissie de leden een protocol liet ondertekenen om te verklaren dat ze hun werk niet vooringenomen zouden doen, kan die schijn volgens de Afdeling niet wegnemen. Het fonds moet daarom een nieuw besluit nemen.