Een hotel dat tijdelijk statushouders opvangt, handelt niet automatisch in strijd met de huurovereenkomst. Dat oordeelt de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam. Volgens de rechter blijft sprake van een hotelbestemming, ook als een deel of zelfs het hele hotel tijdelijk wordt gebruikt voor opvang via het COA.
Een vastgoedbedrijf verhuurt een pand aan een vennootschap die daarin een hotel en restaurant exploiteert. In de huurovereenkomst staat dat het pand alleen als hotel, café en restaurant mag worden gebruikt. In 2026 sluit de huurder een overeenkomst met het COA om gedurende zes maanden veertig statushouders in het hotel op te vangen. De verhuurder is het daar niet mee eens en stapt naar de rechter.
Hotelbestemming
De verhuurder stelt dat opvang van statushouders niet past binnen de afgesproken bestemming van het pand. Volgens haar gaat het niet meer om normaal hotelgebruik, maar om tijdelijke huisvesting met een meer permanent karakter. Ook vreest zij maatschappelijke onrust en waardedaling van het pand.
Exploitatie
De voorzieningenrechter volgt dat standpunt niet. Volgens de rechter blijft de exploitatie voldoende hotelmatig. Het hotel verzorgt nog steeds maaltijden, schoonmaak en linnengoed en blijft zelf verantwoordelijk voor de exploitatie. Ook wordt toeristenbelasting betaald voor de gasten. Dat de gasten via het COA worden geplaatst, maakt dat niet anders.
Geen onderhuur
De verhuurder voert daarnaast aan dat sprake is van verboden onderhuur of ingebruikgeving. Ook daarin gaat de rechter niet mee. Het hotel blijft namelijk zelf het pand exploiteren en houdt de regie over het gebruik van de kamers. Volgens de rechter verschilt dat niet wezenlijk van een gewone hotelsituatie waarin kamers aan gasten beschikbaar worden gesteld.
Algemeen belang
Een belangenafweging maakt dit volgens de rechter niet anders. Bij die belangenafweging speelt het maatschappelijke belang een rol. Gemeenten en het COA hebben de taak om statushouders op te vangen. Het gaat hier om een relatief kleine groep vrouwen en kinderen die al een verblijfsvergunning hebben, waardoor overlast gering zal zijn. Volgens de rechter weegt het maatschappelijk belang om de statushouders op te vangen zwaarder dan de zorgen van de verhuurder, die onvoldoende concreet zijn onderbouwd. De vorderingen van de verhuurder worden daarom afgewezen.