Een werknemer in opleiding tot GZ-psycholoog ziet haar dienstverband eindigen nadat zij de opleiding niet meer mag voortzetten. Ze vindt dat ze om verschillende redenen recht heeft op vergoeding. De kantonrechter is het daar niet mee eens.
Een vrouw is in dienst bij een instelling in de geestelijke gezondheidszorg op basis van een leer-arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De opleiding tot GZ-psycholoog en het dienstverband van de vrouw vormen één geheel. In de overeenkomst staat dat het dienstverband automatisch eindigt wanneer de opleiding stopt of niet meer mag worden gevolgd.
Verlenging
De opleiding duurt normaal twee jaar, maar het contract van de vrouw wordt meerdere keren verlengd omdat afronding van de opleiding uitblijft. Uiteindelijk besluit het opleidingsinstituut dat de vrouw de opleiding niet mag voortzetten. Kort daarna bevestigt de werkgever dat daarmee ook de arbeidsovereenkomst eindigt.
Geen ketenregeling
Anders dan de werknemer meent, is hiermee naar het oordeel van de kantonrechter van de rechtbank Limburg geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan. Er is volgens de rechter sprake van een arbeidsovereenkomst die uitsluitend of overwegend is aangegaan voor de opleiding van de werknemer. De zogenaamde ketenregeling is daardoor niet van toepassing.
Onregelmatige opzegging
De vrouw verzoekt vervolgens om verschillende vergoedingen. Allereerst vanwege onregelmatige opzegging. Volgens de vrouw heeft haar werkgever zich niet aan de opzegtermijn van een maand gehouden. De rechter wijst dit verzoek af. De arbeidsovereenkomst is geëindigd op basis van een ontbindende voorwaarde uit de arbeidsovereenkomst en niet door opzegging. Van onregelmatige opzegging kan dus geen sprake zijn.
Transitievergoeding
De werknemer vindt verder dat ze recht heeft op een transitievergoeding. Maar ook daar is geen ruimte voor, aldus de kantonrechter. Op basis van de wet mocht de werkgever kosten van de opleiding van de werknemer verrekenen met de transitievergoeding. Omdat die kosten veel hoger waren dan de transitievergoeding, resteert hier niets meer om te betalen aan de werknemer.
Billijke vergoeding
Tot slot vindt de werknemer dat het einde van het dienstverband ernstig te wijten is aan de werkgever. Daarom heeft ze recht op een billijke vergoeding. Maar ook daar gaat de kantonrechter niet in mee. Uit het dossier blijkt dat de werkgever de werknemer bijzondere begeleiding heeft geboden en het dus niet aan de werkgever te wijten is dat de werknemer de opleiding niet heeft afgemaakt. Bovendien zou de arbeidsovereenkomst ook zijn geëindigd als de opleiding wel succesvol was afgerond. Ook het verzoek om een billijke vergoeding wordt daarom afgewezen.