Inhoudsopgave

Concurrentiebedingen en artikel 37 Faillissementswet

Hoe werkt een concurrentiebeding in een overeenkomst die beëindigd is, nadat de curator heeft aangegeven deze niet te willen nakomen op grond van artikel 37 Faillissementswet?

Met een concurrentiebeding wil de ene contractspartij voorkomen dat de andere contractspartij (vaak een werknemer) na het einde van de overeenkomst voor een concurrent aan de slag gaat. Over concurrentiebedingen in arbeidsovereenkomsten is al veel geprocedeerd en geschreven. Over concurrentiebedingen in andere overeenkomsten, zoals franchiseovereenkomsten, niet. De rechtbank Gelderland heeft binnen een jaar tijd twee keer antwoord gegeven op voornoemde vraag. Het resultaat was in beide zaken verschillend, aangezien in de ene zaak werd geoordeeld dat het beding geldig bleef na de ontbinding en in de andere zaak niet. In dit artikel bespreek ik deze uitspraken en wat de gevolgen zijn voor de (faillissements-)praktijk.

Rb Gelderland 11 augustus 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:4077

In de eerste zaak gaat het over DMG Nederland. DMG Nederland houdt zich bezig met de exploitatie van de DISQ, een handzaam fitnessapparaat. DMG Nederland heeft een aandeelhoudersovereenkomst gesloten met DMG Holding. DMG Holding is de vennootschap waar de uitvinder en bezitter van de intellectuele eigendomsrechten van de DISQ aandeelhouder is. In de aandeelhoudersovereenkomst staat een concurrentiebepaling op grond waarvan het verboden is om concurrerende werkzaamheden uit te oefenen. DMG Nederland gaat failliet en enkele weken later wordt er een doorstart gerealiseerd met de verkoop van alle activa. In de koopovereenkomst tussen de curator en de koper is een bepaling opgenomen waarin de curator wordt verplicht om het concurrentiebeding te handhaven jegens de uitvinder van de DISQ. In de tussentijd gaat de uitvinder van de DISQ door met de promotie van de DISQ. De curator vordert in het kort geding dwangsommen om deze activiteiten van de uitvinder te stoppen.

Volgens de uitvinder heeft de curator zijn recht op nakoming verloren. De uitvinder stelde de curator namelijk op grond van artikel 37 Faillissementswet een termijn om te laten weten of hij de verplichtingen uit aandeelhoudersovereenkomst ging nakomen. Dit liet de curator na en daarop heeft de uitvinder de overeenkomst ontbonden. Daarmee heeft de curator ook het recht op nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst verloren. Bovendien heeft de curator geen belang meer bij naleving van het concurrentiebeding, omdat de uitvinder de rechthebbende is van de intellectuele eigendomsrechten van de DISQ en een doorstart al is gerealiseerd, aldus de uitvinder.

De voorzieningenrechter gaat niet mee in het verweer en oordeelt dat – vanwege de postcontractuele werking van een concurrentiebeding – de activiteiten van de uitvinder in strijd zijn met de aandeelhoudersovereenkomst. De curator heeft bovendien wel belang bij de vordering tot nakoming van het concurrentiebeding. De curator heeft zich daartoe in de koopovereenkomst verplicht met de overnemende partij. Het verweer van de uitvinder dat de doorstart al is gerealiseerd, faalt, omdat de verkoop van de DISC’s onder opschortende voorwaarde heeft plaatsgevonden. De vordering van de curator wordt dus toegewezen. De voorzieningenrechter stelt hier enkel vast dat een concurrentiebeding post-contractuele werking heeft. Hoe dit zich verhoudt tot art. 37 lid 2 Faillissementswet wordt verder buiten beschouwing gelaten. Deze verhouding wordt in de tweede zaak wél uiteengezet.

Rb Gelderland 24 februari 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:3415

In deze zaak gaat het om een franchiseovereenkomst tussen een muziekwinkel en Key Music Nederland. In het daarin opgenomen non-concurrentiebeding is het franchisenemer verboden om producten van andere aanbieders dan de franchisegever aan te bieden en te verkopen. Op enig moment komt Key Music in financiële problemen en een faillissement is het gevolg. Net als bij DMG stelt de muziekwinkel de curator van Key Music een redelijke termijn, met de vraag of de curator de verplichtingen uit de franchiseovereenkomst nakomt of niet. De curator laat niets weten en de muziekwinkel ontbindt de overeenkomst. Enkele weken na het faillissement verkoopt de curator van Key Music de activa aan HOAD Holding. In de tussentijd gaat de muziekwinkel met een andere leverancier in gesprek en kondigt na verloop van tijd aan dat de muziekwinkel een doorstart maakt met Bax Music (een belangrijke concurrent van Key Music). HOAD dagvaardt de muziekwinkel en vordert betaling van de contractuele boete in verband met de schending van het concurrentiebeding. Volgens HOAD behoudt het concurrentiebeding zijn rechtskracht, ook na beëindiging van de franchiseovereenkomst. De muziekwinkel betwist dat hij de gevorderde boete schuldig is. De muziekwinkel voert hetzelfde verweer als DMG dat de curator zijn recht heeft verspeeld om nakoming van de franchiseovereenkomst te vorderen.

De rechtbank stelt voorop dat een curator volgens artikel 37 Faillisementswet geen nakoming van verbintenissen kan vorderen als hij de overeenkomst, desgevraagd, besluit niet na te komen. Als dit tot onaanvaardbare situaties leidt, moet artikel 37 Faillissement beperkt worden uitgelegd.

Of er sprake is van een onaanvaardbare situatie moet beoordeeld aan de hand van een belangenafweging.[1] Daarbij moet het belang van de curator bij naleving van het beding worden afgewogen tegen het belang van de muziekwinkel. Het belang van HOAD doet in deze afweging niet ter zake. Het belang van de eigenaar van de muziekwinkel is dat zijn inkomen afhankelijk is van de opbrengsten uit de muziekwinkel. Hij had dus een groot belang bij duidelijkheid van de curator en of Key Music aan zijn contractuele verplichtingen zou voldoen. Toen de reactie uitbleef, mocht de eigenaar van de muziekwinkel erop vertrouwen dat hij bevrijd was van de verplichtingen uit de franchiseovereenkomst en dat hij met Bax een nieuwe kon aangaan. Dit belang weegt volgens de rechtbank zwaarder dan het belang van boedelmaximalisatie van de curator.

Wat zijn de gevolgen voor de praktijk?

Over beide uitspraken valt wat te zeggen. Volgens mij is de uitleg van de rechtbank in de Key Music-zaak vollediger. Het is echter de vraag of deze uitkomst er niet voor zorgt dat een curator die doorstart wil realiseren in een soort spagaat komt. Een curator wordt door de wet ertoe gehouden om de overeenkomst daadwerkelijk na te komen als hij aangeeft dat hij de overeenkomst wil nakomen. Daarvoor moet hij zekerheid stellen. Als hij dat niet doet, verliest hij zijn recht op nakoming van een concurrentiebeding. Dit kan vervolgens weer voor problemen zorgen als hij de activa wil verkopen aan een derde. Het heeft dus een iets weg van kiezen tussen twee kwaden. Bovendien volgt uit de tweede uitspraak dat uit de feiten blijkt dat de curator de activiteiten van Key Music heeft voortgezet. Hij liet hij de muziekwinkel ook weten dat de verplichtingen uit de overeenkomst werden nagekomen en op de hoogte hield van de ontwikkelingen rondom de doorstart. Daarmee kan volgens de rechtbank weliswaar niet worden gezegd dat daaruit blijkt dat hij de overeenkomst wil nakomen. Dit betekent echter volgens mij ook dat niet kan worden gezegd dat de muziekwinkel in zijn geheel geen duidelijkheid heeft. Deze omstandigheden leggen dus wel degelijk gewicht in de schaal voor de curator. Zijn werk wordt immers gefrustreerd door overtreding van het concurrentiebeding. Hij kan de activa immers niet, of misschien voor een lager geldbedrag doorverkopen. Daarmee worden de overige faillissementsschuldeisers benadeeld. Wat dat betreft is de uitkomst bij DMG dus het meest wenselijk voor de faillissementspraktijk. Er ontbreekt echter een wetstechnische uitleg op basis waarvan het concurrentiebeding doorwerkt.

Lees ook mijn artikel over de verhouding tussen artikel 37 van de Faillissementswet en betalingen die zijn gedaan aan iemand die failliet blijkt te zijn.


[1] Hoewel in allebei de zaken er een belangenafweging plaatsvindt, is het kader waarbinnen de belangen worden afgewogen niet dezelfde. De belangenafweging in Key Music ziet namelijk op de vraag of er sprake is van een onaanvaardbare situatie. De voorzieningenrechter bij DMG weegt de belangen af in verband met het verweer van de uitvinder dat de curator in zijn geheel geen vorderingsrecht zou hebben.

Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn

Meer weten?

Bel 026 – 35 22 888 of stuur een bericht.

Mail
De specialist(en):

mr. M. (Martijn) S. Bugter

Jurist

DELEN

Share on facebook
Facebook
Share on pinterest
Pinterest
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn