Een ondernemer stelt zich persoonlijk borg voor een lening aan zijn vennootschap. Zes jaar later gaat het bedrijf failliet. De bank spreekt hem aan en ontvangt uiteindelijk € 25.000. Maar daarmee is de zaak niet afgedaan. Jaren later eist de bank nog eens ruim € 100.000. Kan dat zomaar? Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de ondernemer ook dit resterende bedrag moet betalen.
In 2005 neemt de ondernemer de aandelen in het familiebedrijf van zijn vader over. Voor de financiering van een bedrijfspand met hangar verstrekt de bank een lening. De ondernemer stelt zich persoonlijk borg voor maximaal € 180.000. In 2011 gaat de vennootschap failliet. De bank verkoopt het recht van erfpacht op het bedrijfspand via een executieveiling voor slechts € 17.000. Twee jaar later wordt datzelfde recht doorverkocht voor € 100.000. De bank spreekt vervolgens de ondernemer als borg aan. In 2015 wordt hij veroordeeld tot betaling van € 25.000. Dat bedrag wordt via loonbeslag geïncasseerd.
Rechtsverwerking
De ondernemer meent dat hij erop mocht vertrouwen dat de zaak was afgewikkeld. Hij wijst onder meer op een bericht van de bank uit 2017 waarin staat dat hij nog € 0 moet betalen. Volgens het hof is dat onvoldoende. De bank had bij de eerdere procedure uitdrukkelijk het recht voorbehouden om het resterende bedrag alsnog te vorderen. Bovendien had zij de ondernemer meerdere keren aangeschreven over de restschuld. Van rechtsverwerking is daarom geen sprake. Alleen tijdsverloop of één onduidelijk bericht betekent niet dat een schuldeiser zijn rechten verliest.
Risico's
De ondernemer stelt ook dat de bank hem onvoldoende heeft gewezen op de persoonlijke risico's van de borgstelling. Het hof volgt hem ook daarin niet. Hij heeft de borgstelling ondertekend als bestuurder en aandeelhouder, in het kader van de normale bedrijfsuitoefening. Het gaat daarom om een zakelijke borgstelling. Uit de overeenkomst blijkt duidelijk dat hij persoonlijk kon worden aangesproken voor maximaal € 180.000. Hij had dit bedrag zelfs met de hand bevestigd. Volgens het hof waren de wezenlijke risico's daarmee voldoende kenbaar.
Te lage verkoop
Ook het verwijt dat de bank het erfpachtrecht voor een te laag bedrag heeft verkocht, slaagt niet. Dat het recht twee jaar later veel meer opleverde, bewijst niet dat de bank bij de executieveiling een hogere opbrengst had kunnen realiseren. De ondernemer blijft daarom aansprakelijk voor de resterende vordering.