Inhoudsopgave

WHOA biedt geen automatische bescherming tegen schuldeisers

Een onderneming die via een WHOA-akkoord haar schulden wil herstructureren, kan de rechter vragen om een afkoelingsperiode. Schuldeisers kunnen dan tijdelijk worden beperkt in hun mogelijkheden om verhaal te halen. Maar daarvoor moet wel aannemelijk zijn dat zo'n periode in het belang is van de gezamenlijke schuldeisers. Alleen het voorkomen van een faillissement is niet voldoende.

Een onderneming die systemen voor de glastuinbouw en indoor farming verkoopt, raakt in financiële problemen na een geschil met een klant. De rechtbank veroordeelt haar tot betaling van ruim € 2,6 miljoen. De onderneming gaat in hoger beroep, maar het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. De schuldeiser kondigt aan tot executie over te gaan. De onderneming start daarop een WHOA-traject en vraagt de rechtbank Amsterdam om een afkoelingsperiode van vier maanden.

Drie voorwaarden

Voor een afkoelingsperiode gelden drie belangrijke voorwaarden. De periode moet noodzakelijk zijn om de onderneming tijdens de voorbereiding van een akkoord voort te zetten of gecontroleerd af te wikkelen, de gezamenlijke schuldeisers moeten ermee gediend zijn en getroffen derden mogen niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad. Aan de eerste voorwaarde is voldaan. Zonder afkoelingsperiode zal de schuldeiser waarschijnlijk verdere incassomaatregelen nemen en dreigt een faillissement.

Eén schuldeiser heeft bijna alle schuld

Bij de tweede voorwaarde gaat het mis. De onderneming heeft nauwelijks betalingsachterstanden bij andere schuldeisers. De betreffende schuldeiser heeft een vordering van ruim € 2,6 miljoen en vertegenwoordigt maar liefst 96,8% van de totale schuldenlast. Daardoor weegt haar belang zwaar. De onderneming moet op zijn minst aannemelijk maken dat deze schuldeiser met een WHOA-akkoord beter af is dan bij een faillissement. Dat lukt niet. Uit de cijfers blijkt namelijk dat er bij een faillissement waarschijnlijk wel vermogen beschikbaar is voor een uitkering aan concurrente schuldeisers.

Afwijzing

Daar komt bij dat de onderneming niet wil aangeven welk bedrag zij in het akkoord wil aanbieden. De rechtbank kan daardoor niet beoordelen of de schuldeiser met het akkoord daadwerkelijk beter af is dan in faillissement. Het verzoek om een afkoelingsperiode wordt afgewezen.

ECLI:NL:RBAMS:2026:8607

Bron:Rechtbank Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:RBAMS:2026:8607 | 27-08-2026
Facebook
LinkedIn
Print
X

Meer weten?

Neem contact met ons op!

Mail