In een vonnis dat ‘uitvoerbaar bij voorraad’ is verklaard moet de ene partij aan de andere een bedrag betalen vóórdat hoger beroep wordt aangetekend. In deze zaak weigert de schuldenaar te betalen, waarna zijn faillissement wordt aangevraagd. Nu de schuldenaar in hoger beroep gaat tegen het vonnis, staat de vordering niet summierlijk vast, oordeelt de rechtbank Amsterdam.
Twee BV’s hebben voor de rechter een geschil uitgevochten. De ene partij is veroordeeld tot betaling aan de andere partij van ruim € 2 miljoen. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de schuldenaar, ook al gaat deze tegen dit vonnis in hoger beroep, het bedrag direct moet betalen. Wint hij het hoger beroep, dan kan hij die bedragen terugvorderen. Als de schuldenaar niet betaalt, verzoekt de schuldeiser de rechtbank Amsterdam de schuldenaar failliet te verklaren.
Vorderingsrecht
De schuldenaar erkent dat de schuldeiser een vorderingsrecht heeft. Maar het hoger beroep tegen het vonnis heeft – zo stelt de schuldenaar – grote kans van slagen. De schuldenaar betwist dat er steunvorderingen zijn en zegt niet in de toestand te verkeren waarin hij heeft opgehouden te betalen. De door de schuldeiser opgeworpen schulden zijn allemaal kortlopend, waaronder advocaatkosten in verband met het hoger beroep.
Summierlijk
De rechtbank stelt voorop dat de faillietverklaring wordt uitgesproken, als summierlijk blijkt van het bestaan van feiten of omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Doet een schuldeiser het faillissementsverzoek, dan moet deze een vorderingsrecht hebben. De rechtbank voert slechts een summiere toets uit: de faillissementstoestand moet na een kort en eenvoudig onderzoek blijken. Er is daarbij geen ruimte voor feitenonderzoek of een beoordeling van gedetailleerde standpunten.
Kans
Het feit dat de vordering van de schuldeiser in het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis is toegewezen, betekent volgens de rechtbank niet per definitie dat de vordering summierlijk vaststaat. De kans bestaat dat de beoordeling in hoger beroep anders uitvalt. Die kans wordt illusoir als de schuldenaar nu failliet wordt verklaard.
Levensvatbaar
Voor zover de rechtbank nu kan overzien, exploiteert de schuldenaar een levensvatbare onderneming. De betalingsveroordeling aan de schuldeiser bedraagt bijna 96 procent van alle uitstaande schulden. De overige schulden lijken de gebruikelijke schulden van een lopende onderneming. Los van de vordering van de schuldeiser, verkeert de schuldenaar dus niet in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Daar komt bij dat de schuldeiser niet heeft toegelicht waarom zij de uitkomst van het hoger beroep niet kan afwachten. De rechtbank wijst het verzoek tot faillietverklaring af.