Ook als een ruime meerderheid van de schuldeisers vóór een WHOA-akkoord stemt, betekent dat niet automatisch dat de rechtbank het akkoord goedkeurt. Schuldeisers moeten voldoende en actuele informatie krijgen om een goede beslissing te kunnen nemen. Bovendien moet zeker zijn dat de onderneming het akkoord daadwerkelijk kan nakomen. Dat blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Den Haag.
In deze zaak gaat het om twee ondernemingen die samen een café-restaurant exploiteren. Sinds de coronaperiode hebben zij een aanzienlijke schuldenlast opgebouwd. Om een faillissement te voorkomen, bieden zij hun schuldeisers een WHOA-akkoord aan. Het akkoord krijgt veel steun. Volgens de ondernemingen heeft ruim 94% van de schuldeisers ermee ingestemd. Toch weigert de rechtbank het akkoord goed te keuren.
Prognoses inmiddels achterhaald
Het akkoord gaat ervan uit dat de ondernemingen in de komende achttien maanden voldoende geld zullen verdienen om het aangeboden bedrag uit hun operationele kasstroom te betalen. De schuldeisers krijgen daarbij een deskundigenrapport met een positieve liquiditeitsprognose. Een gewijzigde focus op partijen en evenementen zou tot meer omzet en voldoende liquiditeit moeten leiden.
Niet gehaald
Op het moment dat over het akkoord wordt gestemd, blijkt echter al dat de prognoses voor het eerste halfjaar van 2026 niet zijn gehaald. De onderneming draait verlies, de omzet valt tegen en er zijn meer kosten gemaakt dan financieel verantwoord was. Deze informatie wordt niet met de schuldeisers gedeeld.
Nieuwe maatregelen
Bovendien blijkt later dat nieuwe maatregelen nodig zijn. Er moet onder meer worden bespaard op personeel, marketing en andere kosten. Daarmee wijkt het nieuwe plan wezenlijk af van het plan waarop de oorspronkelijke prognoses waren gebaseerd. Ook hierover waren de schuldeisers vóór de stemming niet geïnformeerd. Volgens de rechtbank konden zij daardoor geen goed geïnformeerde beslissing nemen.
Betaling onvoldoende zeker
Er is nog een probleem. Het akkoord vermeldt niet wanneer de schuldeisers daadwerkelijk betaald krijgen. Dat hangt af van de liquiditeit die de onderneming in de komende achttien maanden weet te realiseren. In het slechtste geval zouden schuldeisers pas na achttien maanden ontdekken dat er onvoldoende geld is en helemaal niets ontvangen. Ook een mogelijke externe financiering is nog niet concreet of onderbouwd. Feitelijk krijgen de ondernemingen daarmee volgens de rechtbank achttien maanden uitstel van betaling, zonder voldoende waarborg dat de schuldeisers uiteindelijk iets ontvangen. De rechtbank oordeelt daarom dat de schuldeisers onvoldoende correct en transparant zijn geïnformeerd én dat de nakoming van het akkoord onvoldoende is gewaarborgd. Het verzoek tot homologatie wordt afgewezen.