Internationale productaansprakelijkheid onder de nieuwe EU-richtlijn
De Europese Unie heeft het productaansprakelijkheidsrecht grondig herzien. Met de inwerkingtreding van Richtlijn (EU) 2024/2853 is het aansprakelijkheidskader voor gebrekkige producten gemoderniseerd en aangepast aan een markt waarin digitale componenten, software en AI‑systemen een centrale rol spelen. De richtlijn vervangt de oude Richtlijn 85/374/EEG en moet uiterlijk op 9 december 2026 in nationaal recht zijn omgezet.
Een ruimer productbegrip
Artikel 4 van de Richtlijn definieert het begrip product aanzienlijk ruimer dan voorheen. Naast fysieke zaken vallen nu ook software, grondstoffen, digitale fabricagedossiers en andere digitale componenten onder de regeling. De Richtlijn benadrukt dat een product ook gebrekkig kan worden door een ontbrekende software‑update of door cyberveiligheidsproblemen.
Deze uitbreiding betekent dat niet alleen traditionele fabrikanten, maar ook softwareontwikkelaars, data‑leveranciers en aanbieders van digitale besturingssystemen binnen de reikwijdte van productaansprakelijkheid vallen. Voor bedrijven die werken met embedded software, IoT‑toepassingen of AI‑gestuurde producten is dit een belangrijke verschuiving.
Product, gebrek en schade: nieuwe accenten
De richtlijn scherpt de kernbegrippen van productaansprakelijkheid aan.
Wat valt onder productaansprakelijkheid?
Het begrip producent is in de nieuwe Richtlijn aanzienlijk verruimd. Niet alleen de fabrikant van een fysiek product valt hieronder, maar ook de ontwikkelaar van software of digitale componenten die essentieel zijn voor de werking van het product. Daarnaast worden importeurs van producten van buiten de Europese Unie als producent beschouwd, evenals distributeurs wanneer de oorspronkelijke producent niet kan worden geïdentificeerd. Door deze bredere ketenbenadering wordt het voor benadeelden eenvoudiger om een aansprakelijke partij aan te spreken, ook wanneer de productieketen internationaal en complex is ingericht.
Wanneer is er sprake van een gebrek?
De nieuwe Richtlijn verduidelijkt dat de beoordeling van een gebrek veel verder gaat dan de klassieke analyse van fysieke productveiligheid. De Richtlijn bepaalt dat een product gebrekkig is wanneer het niet de veiligheid biedt die men redelijkerwijs mag verwachten, en de Richtlijn geeft daarbij expliciet aan dat ook digitale en autonome elementen moeten worden meegewogen.
Cyberveiligheidsrisico’s, kwetsbaarheden door ontbrekende software‑updates en onverwacht gedrag van zelflerende AI‑systemen kunnen leiden tot aansprakelijkheid. De richtlijn maakt duidelijk dat een producent zich niet kan onttrekken aan aansprakelijkheid door simpelweg waarschuwingen of uitgebreide informatie bij het product te voegen. Veiligheid moet in het ontwerp en de werking van het product zijn ingebouwd; waarschuwingen kunnen een gebrek niet compenseren.
Welke schade kan worden verhaald?
De Richtlijn verruimt het schadebegrip aanzienlijk. Naast lichamelijk letsel en zaakschade wordt nu ook schade erkend die voortkomt uit de vernietiging of corruptie van gegevens. Wanneer bijvoorbeeld bestanden op een harde schijf verloren gaan door een gebrekkig product, moeten de kosten voor het terugwinnen of herstellen van die gegevens worden vergoed.
Ook immateriële schade, zoals pijn of psychologische schade, kan onder de Richtlijn worden verhaald wanneer deze het gevolg is van een gebrekkig product. De Richtlijn trekt echter een duidelijke grens: zuiver economische schade, schendingen van privacy of discriminatie vallen niet onder het bereik van deze regeling. Voor dergelijke schadevormen kunnen andere rechtsgronden relevant zijn, maar niet de productaansprakelijkheidsrichtlijn.
Bewijslast en bewijsvermoedens
Hoewel slachtoffers in beginsel moeten aantonen dat een product gebrekkig is en dat dit gebrek de schade heeft veroorzaakt, introduceert de Richtlijn belangrijke versoepelingen. In technisch of wetenschappelijk complexe zaken zoals AI‑systemen, medische apparatuur of autonome voertuigen kan het voor een benadeelde buitensporig moeilijk zijn om bewijs te leveren.
De Richtlijn voorziet daarom in weerlegbare vermoedens van gebrekkigheid en/of causaliteit wanneer:
- veiligheidsvoorschriften uit de Productveiligheidsverordening niet zijn nageleefd;
- de producent weigert relevante technische informatie te verstrekken;
- de zaak dermate complex is dat bewijslevering voor de eiser onredelijk zwaar zou zijn.
Daarnaast kan de rechter de producent verplichten om toegang te geven tot technische documentatie die noodzakelijk is voor de beoordeling van de zaak. Dit versterkt de positie van slachtoffers aanzienlijk en voorkomt dat producenten zich kunnen verschuilen achter informatie‑asymmetrie.
De richtlijn bevat daarnaast diverse aanvullende bepalingen die inspelen op moderne marktstructuren. Zo wordt de aansprakelijkheid van onlineplatforms verduidelijkt, met name wanneer zij een actieve rol spelen bij het aanbieden van producten aan consumenten. Ook wordt de maximale aansprakelijkheidsperiode verlengd tot 25 jaar in situaties waarin lichamelijke schade zich pas na lange tijd manifesteert, zoals bij bepaalde medische implantaten of blootstelling aan schadelijke stoffen. Hiermee wordt recht gedaan aan slachtoffers van schade die zich pas op lange termijn openbaart.
Heeft uw organisatie vragen over productaansprakelijkheid, de toepassing van de nieuwe Richtlijn of internationale procedures? Neem dan gerust contact op met onze German Desk. Wij denken graag mee over de beste aanpak voor uw situatie en staan klaar om u te begeleiden bij zowel adviestrajecten als juridische procedures.