Inhoudsopgave

Ontslagen statutair directeur kiest verkeerde route voor snelle vergoedingen

Een statutair directeur die met onmiddellijke ingang wordt ontslagen, moet goed opletten welke route hij kiest. Een kort geding biedt niet altijd een snelle oplossing. Dat blijkt uit een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland.

Een statutair directeur werkt sinds 2018 bij een onderneming. In april 2026 besluiten de aandeelhouders hem per direct te ontslaan. Als redenen noemen zij ernstig plichtsverzuim en het in gevaar brengen van de continuïteit van de onderneming. De directeur krijgt vooraf geen gelegenheid om op het voorgenomen ontslag te reageren. Vanaf de ontslagdatum ontvangt hij ook geen loon meer. In kort geding vraagt hij om een gefixeerde schadevergoeding van € 14.600, een voorschot op de transitievergoeding van ruim € 26.000 en een voorschot op een billijke vergoeding van € 50.000.

Mogelijk ongeldig bestuursbesluit

De voorzieningenrechter ziet aanknopingspunten voor het standpunt dat het vennootschapsrechtelijke ontslagbesluit vernietigbaar is. Een statutair bestuurder moet in beginsel vooraf zijn visie kunnen geven op een voorgenomen ontslag. Dat is hier niet gebeurd. Als het besluit inderdaad wordt vernietigd, is de directeur formeel niet rechtsgeldig als bestuurder ontslagen en kan ook de arbeidsovereenkomst zijn blijven bestaan. De directeur had in het kort geding echter geen betaling van achterstallig loon gevorderd. Hij wilde dat onderwerp in een aparte bodemprocedure aan de orde stellen. Er was daarom in deze procedure geen grond om loon toe te wijzen.

Verzoekschriftprocedure

Voor de gevraagde ontslagvergoedingen geldt een ander probleem. De rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet moet arbeidsrechtelijk door de kantonrechter worden beoordeeld. Een werknemer moet daarvoor binnen twee maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst een verzoekschrift indienen. Dit is een vervaltermijn. Na afloop daarvan kan de werknemer zijn aanspraken in beginsel niet meer geldend maken. Op het moment van het kort geding was die termijn nog niet verstreken. Toch wilde de voorzieningenrechter niet vooruitlopen op de mogelijke uitkomst van een nog te starten procedure bij de kantonrechter. In die procedure kan de directeur bovendien zelf om een voorlopige voorziening vragen.

Vorderingen afgewezen

De rechter wijst daarom alle vorderingen af. Ook kan in kort geding geen definitieve verklaring voor recht worden gegeven over het ontbreken van een dringende reden. De directeur moet daarnaast € 924 aan proceskosten betalen.

ECLI:NL:RBNHO:2026:6572

Bron:Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:6572 | 03-06-2026
Facebook
LinkedIn
Print
X

Meer weten?

Neem contact met ons op!

Mail