Inhoudsopgave

Huurbescherming geldt niet bij bruikleen of korte huur

Een man woont antikraak in een voormalig klooster. Als hij eruit moet, beroept hij zich op huurbescherming. Maar daar gaat de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant niet in mee.

Een woningcorporatie geeft een voormalig kloostercomplex waarvan het eigenaar is, in tijdelijk beheer aan een BV die zich bezighoudt met leegstandsbeheer (antikraak). Deze BV sluit met een man twee overeenkomsten op basis waarvan hij een kamer in het klooster mag bewonen: een dienstverleningsovereenkomst (de man moet de BV een kostenvergoeding van € 343 per maand betalen) en een bruikleenovereenkomst. Op enig moment zegt de BV de bruikleenovereenkomst op en wil dat de man zijn kamer ontruimt. De man stelt dat eigenlijk sprake was van een huurovereenkomst en beroept zich op huurbescherming.

Bruikleen en huur

Dat partijen de benaming ‘bruikleen’ gebruiken is niet doorslaggevend, stelt de voorzieningenrechter. Bij bruikleen en huur mag iemand een zaak van een ander gebruiken. Bij bruikleen geschiedt dat om niet, bij huur geldt een tegenprestatie voor dat gebruik.

Tegenprestatie

Van een tegenprestatie is geen sprake als de vergoeding die wordt betaald uitsluitend betrekking heeft op door de uitlener reële en daadwerkelijk gemaakte onkosten voor het behoud en bewoonbaar houden van een woonruimte. Ziet de vergoeding niet uitsluitend op dergelijke onkosten maar (ook) op het gebruik van de woonruimte, dan is er sprake van huur.

Niet inzichtelijk

Volgens de BV is het bedrag van € 343 ter dekking van gemaakte onkosten. Maar dit maakt de BV niet inzichtelijk. Er zijn geen facturen of specificaties waaruit blijkt dat de BV de kosten daadwerkelijk maakt en hoe die zich verhouden tot de vergoeding. De vergoeding is mogelijk wel een tegenprestatie voor het gebruik van de kamer. Dan zal de bodemrechter vaststellen dat sprake is van de huur van een woonruimte in plaats van een bruikleenovereenkomst.

Korte duur

Mocht het toch huur zijn, stelt de BV, dan is het in ieder geval van korte duur, en dan geldt de huurbescherming niet. De voorzieningenrechter kijkt naar de aard van het gebruik, de aard van de woning en wat partijen over de duur van het gebruik voor ogen heeft gestaan. De conclusie is dan: gebruik van de woonruimte voor korte duur. Het voormalige klooster stond tijdelijk leeg in afwachting van verkoop, verhuur, renovatie, sloop of andere ontwikkelingen. Een beroep op huurbescherming is dan in strijd met de bedoeling van partijen. In de overeenkomst tekende de man er al voor dat hij zich niet kan beroepen op huurbescherming. De opzegtermijn was ook kort (28 dagen) waar ook uit blijkt dat een tijdelijk verblijf was beoogd. De man moet vertrekken, de rechter bepaalt de ontruimingstermijn op veertien dagen.

ECLI:NL:RBZWB:2026:6365

Bron:Rechtbank Zeeland-West-Brabant | jurisprudentie | ECLI:NL:RBZWB:2026:6365 C/02/447982/KG ZA 26-238 (E) | 30-06-2026
Facebook
LinkedIn
Print
X

Meer weten?

Neem contact met ons op!

Mail