In een lopend faillissement verleent de rechter-commissaris een procesmachtiging aan de curator. De curator wil met die machtiging een procedure starten tegen derden die bij het faillissement zijn betrokken. Die derden stellen in deze zaak hoger beroep in tegen de beschikking waarin de procesmachtiging is afgegeven.
De rechtbank Midden-Nederland verklaart deze derden echter niet-ontvankelijk, omdat zij geen partij zijn bij de beschikking.
Partij
Op grond van vaste rechtspraak kan alleen hoger beroep worden ingesteld tegen een beschikking van de rechter-commissaris door iemand die daarbij partij is. Dat begrip is beperkt tot twee categorieën: degene die het verzoek heeft ingediend en degene tot wie de beschikking is gericht. In dit geval is het verzoek om een procesmachtiging gedaan door de curator en is de beschikking ook uitsluitend tot de curator gericht; met de procesmachtiging krijgt de curator toestemming om namens de boedel een procedure te starten tegen de derden.
Ontvankelijk
Deze derden stellen hoger beroep in tegen de beschikking. Zij hebben dan wel niet het verzoek ingediend en zijn ook niet degenen tot wie de beschikking zich richt, maar vinden toch dat inhoudelijk naar hun hoger beroep moet worden gekeken. Dit omdat zij zouden worden gehoord door de rechter-commissaris voordat hij zou beslissen over de procesmachtiging. Dat is uiteindelijk niet gebeurd. Zij vinden dat zij daarom uit redelijkheid toegang moeten hebben tot het hoger beroep.
Horen
Uit de wet volgt geen algemene verplichting voor de rechter-commissaris om betrokkenen te horen voordat een procesmachtiging wordt verleend. Bovendien blijkt uit de stukken ook niet dat een toezegging is gedaan om de betrokken derden te horen. De rechter-commissaris mag zelf beoordelen of het zinvol is om betrokkenen te horen en mag daar ook van afzien. De rechtbank ziet inhoudelijk geen reden waarom dat horen alsnog had gemoeten en bepaalt daarom ook dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.