Na een faillissement vindt doorgaans geen vereffening van het vermogen meer plaats. Bezittingen zijn dan al door de curator verkocht. Daarna houdt een vennootschap op te bestaan. Maar wat als er nadien nog bezittingen (‘baten’) worden gevonden?
Een bouwbedrijf (BV) is failliet verklaard en wordt opgeheven wegens een gebrek aan baten. Om die reden heeft geen vereffening plaatsgevonden. Maar dan krijgt de voormalig curator een mailtje van de notaris: er blijkt dat een perceel grond op naam van een vastgoedbedrijf staat, ook een BV. De statutaire naam van dit vastgoedbedrijf is jaren geleden gewijzigd in de naam van het bouwbedrijf. Het perceel is overbouwd met een winkelpand met bovenwoning. Bij notariële akte is een erfdienstbaarheid van overbouwing gevestigd op het perceel, ten gunste van de toenmalige kopers van de opstalrechten.
Heropenen
De curator verzoekt de rechtbank Oost-Brabant – de regio waar het bedrijf is gevestigd – de vereffening te heropenen. Als na het tijdstip waarop een rechtspersoon is opgehouden te bestaan (toch) nog een bate aanwezig is, kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen en daarbij een vereffenaar benoemen. De curator is hier een belanghebbende. De rechtbank wijst een dergelijk verzoek toe als de bate voldoende aannemelijk is om die heropening te rechtvaardigen.
Vereffening
Het is wettelijk zo geregeld dat een rechtspersoon blijft voortbestaan voor zover en zo lang dit nodig is om het vermogen te vereffenen. Dit geldt ook voor een rechtspersoon die is opgehouden te bestaan doordat het faillissement is opgeheven wegens gebrek aan baten. Het bestaan van de rechtspersoon eindigt pas nadat al haar bekende baten zijn vereffend en de vereffening is geëindigd.
Blijven voortbestaan
Hier is het duidelijk dat er na het eindigen van het faillissement nog een bate is. Deze bate – de waarde van het perceel – behoorde voorafgaand aan het faillissement tot het vermogen van het bouwbedrijf. De curator was hiervan echter niet op de hoogte, zodat het niet in de afwikkeling van het faillissement is meegenomen. Daaruit concludeert de rechtbank dat het bouwbedrijf voor de vereffening van deze bate is blijven voortbestaan, en dat de vereffening alsnog kan worden afgerond. Dat het bouwbedrijf alsnog moet worden vereffend, is ook in het belang van de opstaller. Die is van plan het object op dat perceel op korte termijn te splitsen in appartementsrechten. De rechtbank benoemt de voormalig curator tot vereffenaar.