In deze zaak is een gefailleerde het niet eens met het salaris van de faillissementscurator, dat de rechtbank had vastgesteld. Hij had daarover eerst moeten worden gehoord, stelt hij. Van de Hoge Raad krijgt hij geen gelijk.
In een faillissement stelt de rechtbank het voorschot van de curator vast op € 155.122. In de Faillissementswet staat dat hoger beroep daartegen niet mogelijk is. Desondanks gingen de gefailleerde en een schuldeiser hiertegen in cassatie: zij vonden dat zij over het salaris hadden moeten worden gehoord. Dit volgt volgens hen uit een Europese richtlijn (art. 27 lid 4 van Richtlijn (EU) 2019/10231), die EU-lidstaten verplicht om een procedure in te richten om eventuele geschillen over de vaststelling van het salaris van de curator te beslechten. De rechtbank had daarom, zo stellen zij, een bepaling uit de Faillissementswet – die de gefailleerde en de schuldeisers niet het recht geeft om hierover te worden gehoord – richtlijnconform moeten uitleggen, zodat ze dat recht wel hebben. Of de rechtbank had die richtlijn rechtstreeks moeten toepassen, zodat de gefailleerde en de schuldeiser als belanghebbenden konden worden gehoord over het salaris.
Efficiënter
De Hoge Raad ziet dit – net als de advocaat-generaal in zijn conclusie (advies aan de Hoge Raad) – anders. Het artikel in deze richtlijn, aldus de Hoge Raad, betreft regels over de efficiënte afwikkeling van de insolventieprocedure, niet over de vaststelling van het salaris van de faillissementscurator. De richtlijn verplicht lidstaten niet om een procedure in het leven te roepen waarin de gefailleerde en de schuldeisers moeten worden gehoord over de vaststelling van het salaris. Kortom, er is geen wet of regel op basis waarvan een gefailleerde of schuldeiser zich kan beroepen om te worden gehoord over het salaris van de curator.
Curator wél gehoord
Dit is in lijn met eerdere rechtspraak. In 1990 oordeelde de Hoge Raad dat de salarisvaststelling van de curator een administratieve beslissing is die de rechter neemt in het kader van de gerechtelijke vereffening van de boedel. Partijen hoeven niet te worden gehoord. In 1999 stelde de Hoge Raad dat de curator zelf wél moet worden gehoord, omdat zijn belangen rechtstreeks zijn betrokken bij de vaststelling van het salaris. Als dit ook zou gelden voor de gefailleerde en schuldeisers, dan zou dit leiden tot een vertraging en een onredelijke verzwaring van de procedure.