Inhoudsopgave

Gebruik van een pand betekent nog niet dat sprake is van huur

Wie in een pand woont of bedrijfsruimte gebruikt, is daarmee niet automatisch huurder. Voor een huurovereenkomst moet tegenover het gebruik ook een tegenprestatie staan. Dat blijkt uit een kort geding bij de rechtbank Midden-Nederland over een pand dat via een executieveiling was verkocht.

De nieuwe eigenaar had op een executieveiling een bedrijfshal met woning gekocht. In en rond het pand verbleven verschillende personen en ondernemingen. Zij wilden niet vertrekken, omdat zij stelden dat zij al vóór de executieverkoop huurder waren geworden en daarom met recht in het pand verbleven. De nieuwe eigenaar betwistte dat.

Gebruik alleen is niet genoeg

Dat de verschillende personen het pand al langere tijd gebruikten, stond niet ter discussie. Maar dat is volgens de voorzieningenrechter onvoldoende om een huurovereenkomst aan te nemen. Voor huur is volgens artikel 7:201 BW nodig dat de ene partij een zaak in gebruik geeft en dat de andere partij daarvoor een tegenprestatie levert. Degene die zich op het bestaan van de huurovereenkomst beroept, moet aannemelijk maken dat daarvan sprake is. Dat lukte hier niet.

Onduidelijkheid over betaling van de huur

Een deel van de gebruikers had schriftelijke huurovereenkomsten. Toch was ook dat niet voldoende. Zo zou de huur in sommige gevallen worden betaald door verrekening met schulden van ondernemingen die aan de voormalige eigenaar waren verbonden. Volgens de rechtbank kon die verrekening juridisch niet plaatsvinden, omdat niet de juiste partijen elkaars schuldeiser en schuldenaar waren. Bij andere gebruikers waren de verklaringen over betaling tegenstrijdig of onvoldoende onderbouwd. Ook inschrijving op het adres, salarisstroken of het feit dat iemand al jarenlang in de woning woonde, bewezen op zichzelf niet dat huur werd betaald. Bij enkele gebruikers werd gesteld dat het gebruik via een schenking werd vergoed. Ook een schenking vormt volgens de rechtbank geen tegenprestatie voor huur.

Ontruiming toegestaan

De voorzieningenrechter vindt het daarom onvoldoende aannemelijk dat geldige huurovereenkomsten bestaan. De gebruikers verblijven niet met recht of titel in het pand. Hun verzoek om de ontruiming tegen te houden wordt afgewezen en zij moeten het pand binnen veertien dagen ontruimen op straffe van een dwangsom.

ECLI:NL:RBMNE:2026:5102

Bron:Rechtbank Midden-Nederland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBMNE:2026:5102 C/16/612450 / KL ZA 26-153 | 22-07-2026
Facebook
LinkedIn
Print
X

Meer weten?

Neem contact met ons op!

Mail