Wie een doos met naam en adres erop naast een afvalcontainer laat belanden, komt lastig onder de kosten van bestuursdwang uit. Dat blijkt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als een doos naast een ondergrondse afvalcontainer wordt aangetroffen, wordt deze door de gemeente met spoed meegenomen. Omdat op de doos een adreslabel met naam en adres van een vrouw zit, gaat de gemeente ervan uit dat zij de doos verkeerd heeft aangeboden. De gemeente verhaalt de kosten daarvan – € 192 – op deze vrouw.
Vrouw ontkent
De vrouw bestrijdt dat zij de doos naast de container heeft gezet. Ze zegt dat zij haar afval altijd ergens anders aanbiedt en denkt aan een administratieve fout. Ook suggereert ze dat iemand uit haar omgeving de doos daar misschien expres heeft neergezet. Daarnaast voert ze aan dat de foto’s uit het rapport van de toezichthouder nooit aan haar zijn toegestuurd, dus dat niet is gebleken dat haar naam en adres ook echt op het adreslabel stonden.
Bewijsvermoeden
De Afdeling volgt de gemeente. Volgens vaste rechtspraak mag een gemeente ervan uitgaan dat afval met een naam- en adreslabel is neergezet door de persoon naar wie het afval te is herleiden. Dat heet een bewijsvermoeden. Dat vermoeden kan wel worden weerlegd, maar dan moet er voldoende twijfel ontstaan over de vraag of die persoon echt de overtreder is.
Twijfel ontbreekt
Volgens de Afdeling lukt dat hier niet. Alleen zeggen dat je het niet hebt gedaan, of dat iemand anders de doos misschien heeft neergezet, is niet genoeg. Daarmee ontstaat te weinig twijfel om het bewijsvermoeden te ontkrachten. Ook het punt over de foto’s helpt niet. Uit het dossier blijkt dat de gemeente die foto’s al eerder per mail heeft gestuurd, en later nog een keer. De conclusie is daarom duidelijk: de gemeente mag de kosten van de bestuursdwang op de vrouw verhalen.