Een man laat een grote hoeveelheid munten, die bij het huisvuil terecht zijn gekomen, weer schoonmaken. Door deze bewerking zijn ze echter niets meer waard.
Een man heeft een grote hoeveelheid munten die helaas voor hem bij het huisvuil zijn beland. De man koopt de munten terug van de afvalverwerking en wil ze inleveren bij De Nederlandsche Bank. Volgens de man zijn de munten € 34.480 waard. DNB laat eerst 500 munten onderzoeken door het Nationaal Analyse Centrum voor Munten (NACM). Hieruit blijkt dat deze munten ongeschikt zijn voor circulatie. Ze hebben één of meerdere bewerkingen (afvalverbranding en schoonmaakprocessen) ondergaan waardoor de munten zijn veranderd. DNB wil de munten niet vergoeden. De man wil zijn gelijk halen bij de rechtbank Limburg.
Muntwet
Van belang zijn de Muntwet 2002 en de Europese ‘Verordening betreffende echtheidscontrole van euromunten en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie’. In de Muntwet staat dat munten die niet meer geschikt zijn voor circulatie bij DNB kunnen worden ingeleverd. DNB vergoedt dan de nominale waarde van de munt, behalve als de munten opzettelijk zijn veranderd of een bewerking hebben ondergaan waarvan redelijkerwijs is te verwachten dat dit de munt verandert. De Verordening kent, net als de Muntwet, een vergoedingsplicht voor beschadigde munten, maar ook een vergelijkbare uitzondering.
Bewerking
Volgens de man is geen sprake van een ‘bewerking’. Deze munten hebben slechts een (passief) proces ondergaan. Hij had ook niet de intentie de munten te veranderen, alleen om deze te reinigen. Uit eerdere rechtspraak blijkt dat het blootstellen van munten aan afvalverwerking wel een bewerking is waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat ze de munt verandert. Dit geldt ook in deze zaak, aldus de rechtbank, verwijzend naar het onderzoek van het NACM. De man had mogen verwachten dat de munten door de afvalverbranding, het schoonmaken met zuur en het trommelen met metalen kogels veranderen. Daarmee geldt de uitzondering op de vergoedingsplicht.
Immateriële schade
Wel krijgt de man een vergoeding (immateriële schade) omdat de behandeling van zijn zaak te lang heeft geduurd. Voor elk half jaar dat de termijn werd overschreden, heeft hij recht op € 500. De hele procedure, tot aan de bestuursrechter, mag maximaal twee jaar in beslag nemen. In totaal is de redelijke termijn overschreden met 22 maanden: de man maakt daardoor aanspraak op een vergoeding van € 2.000. Het was de rechtbank die er zo lang over deed en daarom moet de Staat der Nederlanden dit bedrag betalen. Daar moet de man het mee doen: zijn munten worden niet vergoed.