De Afdeling bestuursrechtspraak (hierna: de Afdeling) heeft op 23 september 2026 uitspraak gedaan over een zogenoemde CTER-code die aan een appellant was gekoppeld.
De Afdeling laat in deze uitspraak weer eens duidelijk zien dat de bestuursrechter, voordat hij aan de inhoud toekomt, eerst kijkt naar een belangrijke procesrechtelijke vraag: wat is precies het onderwerp van de procedure en wat wil iemand met de procedure bereiken? Dat komt omdat voor een procedure altijd procesbelang nodig is. Ontbreekt dat belang, dan komt de bestuursrechter niet toe aan de inhoud.
CTER-code bij de politie: wat gebeurde er in deze zaak?
Een politieambtenaar kan naar aanleiding van een contact, incident of informatie van anderen aan een mutatie een CTER-code verbinden. Daarmee krijgt de informatieorganisatie van de politie een automatisch signaal om die persoon nader te beschouwen. CTER staat voor Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering.
Dat gebeurde in deze zaak in de zomer van 2017. Aan een mutatie over de appellant werd een CTER-code verbonden. De informatieorganisatie heeft de appellant vervolgens als ‘niet-CTER-waardig’ geduid. Later werd de appellant door de gemeente Amsterdam ingebracht in het zogeheten integraal persoonsgericht aanpak-radicalisering overleg (IPGA-R). In het kader van die aanpak werd de CTER-code door de politie aan hem gekoppeld, zodat nieuwe politie-informatie in de IPGA-R kon worden gedeeld.
Enkele jaren later, op 18 februari 2021, verzocht de appellant de korpschef om het besluit toe te sturen waarin volgens hem de CTER-code aan hem was toegekend. Hij schreef daarbij:
“In de zomer van 2017 heeft de politie mij in een besluit een zogeheten CTER-code toegekend. Een CTER04-code, die toegekend wordt aan linkse extremisten. Ik verzoek u mij dit besluit binnen 2 weken toe te sturen.”
De korpschef liet op 17 maart 2021 per brief weten dat het gevraagde afzonderlijke besluit niet bestond. De appellant maakte bezwaar, maar de korpschef verklaarde dat bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief van 17 maart 2021 volgens hem geen besluit was in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.
In de daaropvolgende procedure bij de rechtbank en de Afdeling wilde de appellant uiteindelijk een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van de CTER-code. Dat oordeel kwam er niet: zowel de rechtbank als de Afdeling oordeelde dat voor een inhoudelijk oordeel over de CTER-code geen procesbelang bestond.
Oordeel rechtbank: geen procesbelang
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Volgens de rechtbank had de appellant geen belang meer bij een oordeel over de CTER-code, omdat hierover al eerder een procedure was gevoerd waarin de appellant had verzocht om verwijdering van de code. Die procedure had geleid tot een voor de appellant gunstige uitspraak. Op basis van die uitspraak kon volgens de rechtbank schadeverhaal plaatsvinden.
De rechtbank heeft verder overwogen dat de appellant op de zitting had aangegeven dat zijn bezwaar en beroep zich richten tegen de brief van 17 maart 2021, waarin de korpschef had meegedeeld dat het door de appellant gevraagde besluit niet bestond. Volgens de rechtbank betekent dit dat de rechtmatigheid van de toekenning van de CTER-code in deze zaak niet aan de orde is. Ook daarom heeft de appellant volgens de rechtbank geen procesbelang bij een oordeel over de toekenning van de CTER-code in 2017. Appellant is het niet eens met deze uitspraak en heeft hoger beroep ingesteld.
Oordeel Afdeling: proces-verbaal laat ander standpunt zien, maar uitkomst blijft hetzelfde
De appellant bestrijdt in hoger beroep dat hij bij de rechtbank heeft aangegeven dat zijn bezwaar en beroep zich richtten tegen de brief van 17 maart 2021. Volgens de appellant heeft hij juist aangegeven dat zijn beroep niet tegen die brief was gericht, maar tegen de toekenning van de CTER-code in 2017. De eerdere procedure waar de rechtbank naar verwees, ging volgens hem namelijk niet over de rechtmatigheid van die toekenning.
De Afdeling kijkt vervolgens naar het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank. Daaruit blijkt volgens de Afdeling inderdaad niet dat de appellant heeft verklaard dat zijn bezwaar en beroep zich alleen richtten tegen de brief van 17 maart 2021. De rechtbank heeft dit daarom ten onrechte overwogen.
De uitkomst blijft echter hetzelfde: de appellant heeft geen procesbelang bij een inhoudelijk oordeel over de CTER-code.
De Afdeling licht eerst toe wat onder procesbelang moet worden verstaan:
‘’Procesbelang is een belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Het gaat daarbij niet om de vraag of appellant gelijk heeft, maar om de vraag of, als appellant gelijk heeft, hij daarbij een reëel en actueel belang heeft. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) is, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Alleen de eventueel principiële betekenis van een uitspraak is geen reden om toch inhoudelijk uitspraak te doen.’’
Volgens de Afdeling wil de appellant met zijn beroep een oordeel verkrijgen over de rechtmatigheid van de toekenning van de CTER-code in 2017. Dat doel kan hij met dit rechtsmiddel niet bereiken. Zijn aanvraag van 18 februari 2021 strekte namelijk alleen tot de feitelijke toezending van een document waarin de CTER-code volgens hem was toegekend.
De korpschef heeft daarop laten weten dat het gevraagde besluit niet bestond en het bezwaar van de appellant tegen die mededeling niet-ontvankelijk verklaard. Het geschil kon volgens de Afdeling daarom alleen gaan over de rechtmatigheid van de niet-ontvankelijkverklaring. De rechtmatigheid van de CTER-code zelf viel buiten de reikwijdte van het geschil. De appellant had daarom geen procesbelang bij een inhoudelijk oordeel over de CTER-code. Het hoger beroep is ongegrond verklaard.
Tot slot: let op het procesbelang
Deze uitspraak maakt weer eens duidelijk dat het procesbelang bepalend is voor de vraag of een rechter aan de inhoud toekomt. Wees daarom altijd scherp op welk belang met een procedure wordt nagestreefd en of dat belang met die procedure ook wordt bereikt.