Bij overtredingen behoort een bestuursorgaan handhavend op te treden. Maar op die regel bestaan uitzonderingen. De rechtbank Limburg kreeg daarmee te maken in een zaak over ‘voortuinparkeren’.
Een man kon het niet verkroppen dat zijn overbuurman zijn auto parkeert in diens (eigen) voortuin. Volgens de man is dit in strijd met het bestemmingsplan. Hij dient bij zijn gemeente een handhavingsverzoek in. Ondanks strijdigheid met het bestemmingsplan, besluit het college niet te handhaven. De hele buurt heeft immers een brief gekregen dat parkeren in de voortuin wordt gedoogd.
Beginselplicht tot handhaving
Het is vaste rechtspraak dat tegen een overtreding moet worden opgetreden omdat het algemeen belang gediend is met handhaving: de zogenoemde beginselplicht tot handhaving. Maar dat uitgangspunt kent uitzonderingen. Zo kan handhaving achterwege blijven bij concreet zicht op legalisatie, of als het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel wordt geschonden bij handhaving.
Toezegging
In 2019 deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak over het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht. Hierin wordt een stappenplan geïntroduceerd, dat de rechtbank Limburg volgt. Eerst wordt onderzocht of sprake is van een toezegging dat niet wordt gehandhaafd bij voortuinparkeren. Het college spreekt van ‘gedogen’, waardoor bewoners ervan uit mogen gaan dat er niet handhavend wordt opgetreden. Deze toezegging – de brief is ondertekend door een ambtenaar – is ook toe te rekenen aan het bestuursorgaan, het is dus geen onbevoegde uitlating. Alles opgeteld is bij de bewoners een gerechtvaardigd vertrouwen gewekt.
Belangenafweging
Maar een belangenafweging moet uitwijzen of het gewekte vertrouwen moet worden nagekomen. De man heeft immers ook belangen: de ruimte direct voor de voortuin was voorheen een openbare parkeerplaats en functioneert nu als inrit naar een parkeerplaats in de voortuin van de overbuurman. Er is dus een parkeerplaats vervallen. Maar dat is de consequentie van het gedogen van voortuinparkeren, zegt het college, wat heeft geleid tot minder parkeerdruk in de wijk. In de straat is overigens voldoende parkeergelegenheid voor bezoekers.
Uitzicht
De man stelt ook nog dat de auto van de overbuurman zijn uitzicht belemmert. Maar dat weet hij niet hard te maken en dan nog: dit individuele belang van de man weegt niet zwaarder dan het door het college gewekte vertrouwen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een bijzondere omstandigheid (het vertrouwensbeginsel) die rechtvaardigt dat van handhavend optreden wordt afgezien. De man verliest zijn zaak. Hij krijgt het griffierecht niet terug en krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.