Inhoudsopgave

Beroepschrift opgesteld met AI bevat fouten: beroep ongegrond

Generatieve AI, zoals ChatGPT, kan helpen bij het opstellen van juridische stukken. Maar wie daarbij verwijst naar rechtspraak, moet controleren of die uitspraken bestaan én daadwerkelijk over het genoemde onderwerp gaan. Dat wordt duidelijk in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De zaak gaat over een wijzigingsplan van de gemeente Heusden voor de bouw van maximaal 126 woningen. Een agrarisch ondernemer in de omgeving komt daartegen in beroep. Hij vreest dat de nieuwe woningen zijn huidige en toekomstige bedrijfsvoering zullen beperken.

Verkeerde verwijzingen naar rechtspraak

Voordat de Afdeling inhoudelijk op het beroep ingaat, maakt zij een opvallende opmerking. De Afdeling heeft de indruk gekregen dat voor het beroepschrift generatieve AI, zoals ChatGPT, is gebruikt. Een belangrijke aanwijzing daarvoor zijn de verwijzingen naar eerdere uitspraken van de Afdeling. De in het beroepschrift genoemde ECLI-nummers blijken naar uitspraken over heel andere onderwerpen te verwijzen, waaronder het vreemdelingenrecht. De ondernemer verklaart tijdens de zitting dat hij deze uitspraken niet zelf heeft gevonden, maar dat zijn adviseur hem heeft geholpen bij het opstellen van het beroepschrift. Het gevolg is dat het beroepschrift volgens de Afdeling geen navolgbare onderbouwing bevat voor het standpunt dat de bedrijfsvoering van de ondernemer wordt belemmerd. De Afdeling moet daarom voor de verdere beoordeling uitgaan van de uitleg die de ondernemer tijdens de zitting geeft.

Beroep uiteindelijk ongegrond

Ook die uitleg leidt niet tot een ander oordeel. De nieuwe woningen komen op ongeveer 910 meter van het agrarische bedrijf, terwijl er al een woning op ongeveer 175 meter afstand staat. Bovendien is bij het plan rekening gehouden met een concrete aanvraag van de ondernemer voor uitbreiding van zijn pluimveebedrijf. Ook wordt volgens de Afdeling ruimschoots voldaan aan de berekende adviesafstand voor endotoxinen. Het college heeft daarom voldoende rekening gehouden met de bedrijfsvoering van de ondernemer. Het beroep is ongegrond.

ECLI:NL:RVS:2026:4143

Bron:Raad van State | jurisprudentie | ECLI:NL:RVS:2026:4143 | 14-07-2026
Facebook
LinkedIn
Print
X

Meer weten?

Neem contact met ons op!

Mail