Een rechtbank oordeelt dat een advocaat een bepaald verzoekschrift te laat heeft ingediend. Met dit verzoekschrift wilde de advocaat toestemming krijgen voor de executoriale verkoop van beslagen aandelen. De cliënt spreekt van een beroepsfout. Het hof ziet dat anders, omdat de advocaat geen rekening hoefde te houden met het onverwachte oordeel van de rechtbank.
De advocaat dient namens zijn cliënt een verzoekschrift in bij de rechtbank Den Haag voor toestemming voor de verkoop van inbeslaggenomen aandelen. Volgens de interpretatie van de rechtbank is dat verzoek te laat gedaan. De toestemming wordt niet gegeven.
Bijzondere redenering rechtbank
Volgens de (letterlijke) tekst van de wet moet een dergelijk verzoek worden gedaan binnen een maand nadat de executoriale titel in kracht van gewijsde is gegaan en aan de betrokken vennootschap is betekend. De rechtbank vond dat die termijn was verlopen. Naar haar mening was het eerder gelegde conservatoire beslag op de aandelen overgegaan in een executoriaal beslag doordat het arrest waarin de vordering van de cliënt werd toegewezen, uitvoerbaar bij voorraad was verklaard en aan de betrokken partijen was betekend. Volgens de rechtbank was de termijn van één maand om een verzoekschrift in te dienen direct na die betekening begonnen. De advocaat diende het verzoekschrift meer dan een maand na de betekening in en dat was volgens deze bijzondere redenering van de rechtbank dus te laat. Tegen de uitspraak van de rechtbank werd geen hoger beroep ingesteld.
Geen verkoop van aandelen meer mogelijk
Het gevolg van het oordeel van de rechtbank was dat de cliënt de beslagen aandelen niet meer kon verkopen. Sterker nog, volgens de rechtbank was het beslag vervallen. De cliënt eist daarom een schadevergoeding van de advocaat, omdat hij zijn werk niet goed heeft gedaan en het beslag is vervallen. De rechtbank wijst de aansprakelijkheidsvordering af en het gerechtshof Den Haag doet in hoger beroep hetzelfde.
Grenzen aan de zorgplicht
In de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding stelt het hof voorop dat een advocaat een inspanningsverplichting heeft en moet handelen als een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot. Dat betekent doorgaans: wettelijke termijnen kennen, bewaken en waarschuwen voor (dreigend) termijnverloop. Tegelijk geldt een belangrijke begrenzing: de zorgplicht gaat niet zover dat de advocaat met elke denkbare, onverwachte rechterlijke uitleg rekening moet houden. Anticiperen is vereist op reële scenario’s, maar niet op elke mogelijke uitkomst.
Niet te voorzien
In deze zaak was de tekst van de wet duidelijk over de termijn waarbinnen een verzoek als hier moest worden gedaan: binnen een maand nadat de executoriale titel in kracht van gewijsde is gegaan en aan de vennootschap is betekend. Op basis van die ondubbelzinnige tekst werd het verzoekschrift tijdig ingediend. Maar de rechtbank hield er een andere interpretatie op na, waardoor deze oordeelde dat het verzoekschrift te laat was ingediend. In gevestigde juridische literatuur zijn geen contra-indicaties te vinden voor een letterlijk uitleg van het wetsartikel. Volgens het hof hoefde de advocaat er dan ook geen rekening mee te houden dat de rechtbank zou oordelen zoals zij heeft gedaan. Te meer omdat het oordeel van de rechtbank slechts beperkte steun vindt in één oudere uitspraak van het hof Amsterdam en een kritische opinie in de literatuur.
Geen schadevergoeding
Het hof komt daardoor tot de slotsom dat de advocaat geen beroepsfout heeft gemaakt. De advocaat mocht uitgaan van de duidelijke wettekst en hoefde geen rekening te houden met de onverwachte, strengere benadering van de rechtbank. De advocaat hoeft dus ook geen schadevergoeding te betalen.