Een werkgever moet een werknemer met een tijdelijk contract tijdig schriftelijk laten weten of het contract wordt voortgezet. Alleen een brief in een digitaal HR-portaal plaatsen is daarvoor niet zonder meer voldoende. Dat blijkt uit een uitspraak van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam.
Een werknemer heeft een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op 2 maart 2026 eindigt. De werkgever besluit het contract niet te verlengen. Daarover moet zij de werknemer uiterlijk één maand voor het einde van het contract schriftelijk informeren. Volgens de werkgever is dat gebeurd. Op 28 januari 2026 is een aanzegbrief in het online HR-portaal geplaatst. De werknemer stelt echter dat hij die brief nooit heeft ontvangen.
Werkgever moet ontvangst kunnen onderbouwen
Als de werknemer betwist dat hij een aanzegging heeft ontvangen, moet de werkgever kunnen onderbouwen dat de mededeling hem heeft bereikt. Dat lukt hier niet. De werkgever stelt tijdens de zitting dat de werknemer na plaatsing van de brief een bericht, e-mail of pushmelding heeft gekregen. Maar zij kan niet duidelijk maken hoe dat precies is gegaan en legt de betreffende melding ook niet over. Daarom gaat de kantonrechter ervan uit dat de aanzegbrief de werknemer niet heeft bereikt.
Einddatum op loonstrook is niet genoeg
Op de loonstroken van januari tot en met maart staat bovendien dat de werknemer per 2 maart uit dienst gaat. Ook dat helpt de werkgever niet. Volgens de kantonrechter kan het enkele vermelden van een einddatum op een loonstrook niet worden gezien als een schriftelijke mededeling dat de arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet. Een andere brief van 2 maart is sowieso te laat: die is pas op de laatste dag van het dienstverband verstuurd. De werkgever moet daarom een aanzegvergoeding van één maandsalaris betalen. Het gaat om ongeveer € 2.600. De werknemer krijgt overigens niet op alle punten gelijk. Hij blijkt 53,27 verlofuren te veel te hebben opgenomen en moet daarvoor € 842 aan zijn voormalige werkgever terugbetalen.