Vakantiedagen en (langdurig) zieke werknemers: hoe zit het ook al weer?

Door: mr. M. (Minouche) Egbers , Trefwoorden arbeidsrecht, Arbeidsrecht Datum: 30 juni 2017

De zomervakantieperiode breekt al bijna aan. Nog even en het is weer: ‘Prettige vakantie!’. Een goede aanleiding om eens stil te staan bij de vakantierechten van zieke werknemers.

Wettelijke regeling

Werknemers hebben ieder jaar minimaal recht op vakantie met behoud van loon gedurende ten minste viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week. Dit staat in artikel 7:634 BW. Een werknemer die een contract heeft voor 40 uur per week heeft dus een wettelijke vakantieaanspraak van 20 dagen. In de arbeidsovereenkomst of bij cao kunnen extra vakantiedagen toegekend worden. Dat zijn de bovenwettelijke dagen.

Opbouw van vakantierechten vindt volgens de hoofdregel plaats over alle dagen waarover de werknemer recht heeft op loon. Tot 1 januari 2012 stond in de wet dat een werknemer die door ziekte niet werkte gedurende maximaal 6 maanden vakantiedagen opbouwde. Door een uitspraak van het Hof van Justitie uit 2009 is deze regel per 1 januari 2012 gewijzigd. Ook tijdens ziekte vindt sindsdien onbeperkt opbouw plaats van vakantiedagen.

Een werknemer die ziek wordt voor of tijdens zijn vakantie, heeft over de ziektedagen recht op loon tijdens ziekte op grond van artikel 7:629 BW. Er is geen sprake (meer) van vakantieverlof. Dit geldt niet bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. In dat geval wordt een werknemer wel in staat geacht vakantiedagen op te nemen.

Alleen voor de bovenwettelijke dagen geldt dat werkgever en werknemer schriftelijk kunnen afspreken dat tijdens ziekte geen of over een beperkte periode bovenwettelijke vakantiedagen worden opgebouwd (artikel 7:635 lid 5 BW). Een andere afspraak die gemaakt kan worden is dat bovenwettelijke ziektedagen worden aangemerkt als vakantiedagen. Als die afspraak bij voorbaat wordt gemaakt, mag dat alleen voor de vakantiedagen van het lopende jaar (artikel 7:637 BW).

Er is ook een onderscheid tussen de wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen voor wat betreft verval en verjaring. Wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen opgebouwd voor 1 januari 2012 verjaren door verloop van vijf jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak op vakantie is ontstaan. Voor de wettelijke vakantiedagen opgebouwd na 1 januari 2012 geldt dat deze vervallen na zes maanden. Omdat het gaat om een vervaltermijn is stuiting niet mogelijk. Deze vervaltermijn is niet van toepassing op de bovenwettelijke vakantiedagen. Die verjaren nog steeds pas na vijf jaar.

Het is belangrijk om te weten dat de vervaltermijn van zes maanden door de werkgever niet mag worden ingeroepen als de werknemer de vakantiedagen in redelijkheid niet heeft kunnen opnemen. Dit speelt met name bij werknemers die volledig arbeidsongeschikt zijn of die zijn vrijgesteld van de verplichting om te re-integreren.

Vakantieaanspraken na twee jaar (of langere) ziekte

De kantonrechter Roermond heeft eerder dit jaar uitspraak gedaan in een zaak waarin een zieke werkneemster die al meer dan twee jaar ziek was en intussen een WGA-uitkering had, onder meer uitbetaling van vakantiedagen claimde.

De kantonrechter stelde vast dat artikel 7:643 BW aangeeft dat de werknemer vakantie-uren opbouwt over ieder jaar waarin hij ‘gedurende de volledige overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft gehad.’ De opbouw van vakantie-uren is daarmee uitdrukkelijk gekoppeld aan de verplichting om het loon door te betalen.

Dus: als na twee jaar (of langer) ziekte geen loon meer wordt betaald maar het dienstverband loopt nog wel (slapend) door, bouwt uw zieke werknemer geen vakantiedagen meer op. Zie ook ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.

De kantonrechter Roermond moest zich vervolgens nog buigen over de vraag of in deze zaak al dan niet sprake was van een situatie waarin werkneemster door haar arbeidsongeschiktheid redelijkerwijs niet in staat was geweest vakantie op te nemen. De vervaltermijn van zes maanden zou dan niet gelden. Op dit punt was de kantonrechter het eens met de werkneemster. De bedrijfsarts had over 2013 en 2014 geen benutbare mogelijkheden aanwezig geacht. Daarmee was re-integratie feitelijk niet aan de orde. Werkneemster was derhalve in die jaren redelijkerwijs niet in staat geweest vakantie op te nemen.

Zodra een zieke werknemer re-integratiemogelijkheden heeft, wordt hij/zij geacht vakantie te kunnen opnemen en mag u hem dus aan de vervaltermijn van zes maanden houden.

Vragen?

Heeft u na het lezen nog een vraag of wilt u een vraag stellen over andere kwesties rond arbeidsongeschiktheid en re-integratie, neemt u dan gerust contact op met mr. M. Egbers of een van onze andere arbeidsrechtsspecialisten via 026 3522 825.