Een relatiebreuk kan ingewikkeld zijn, zeker wanneer er gezamenlijke bezittingen zijn. Soms gaat het om een woning, meubels of spaargeld. Maar er ontstaat ook weleens discussie over een huisdier. Een recente uitspraak van de rechtbank Limburg laat zien hoe complex zo’n situatie juridisch kan zijn wanneer ex-partners het niet eens worden over de vraag: van wie is de hond?
In deze zaak gaat het om een pomeriaan (dwergkeeshond) die wordt gekocht tijdens de relatie van het stel. Voor de hond wordt € 2.800 betaald. De vrouw betaalt het grootste deel van de aankoopprijs via haar bankrekening en staat ook als koper vermeld op de koopovereenkomst. Daarnaast wordt de hond in het stamboek op haar naam geregistreerd.
Relatiebreuk
De situatie verandert echter wanneer de relatie eindigt. Aanvankelijk zorgen beide ex-partners om beurten voor de hond. Uiteindelijk verblijft de hond bij de man. De vrouw wil de hond terug, de man weigert. Dan start de vrouw een kort geding en vordert bij de rechtbank Limburg dat de hond aan haar wordt afgegeven.
Wie is eigenaar?
De kern van het geschil is de vraag wie juridisch eigenaar van de hond is. Volgens de vrouw is dat duidelijk: zij heeft de hond gekocht, betaald en laten registreren op haar naam. De man stelt daarentegen dat de hond tijdens de relatie gezamenlijk is aangeschaft. Volgens hem kochten de partners de hond samen en spraken zij na de relatiebreuk bij de verdeling van hun spullen af dat de hond bij hem zou blijven. Hij verwijst daarbij onder andere naar WhatsApp-berichten en naar het feit dat hij inmiddels als eigenaar staat geregistreerd in de databank voor gezelschapsdieren.
Bezitter
De voorzieningenrechter moet beoordelen wie in deze procedure als eigenaar kan worden aangemerkt. Daarbij speelt een belangrijk juridisch uitgangspunt: hoewel een dier geen “zaak” is, zijn de regels over eigendom uit het Burgerlijk Wetboek wel van toepassing op dieren. Omdat de hond feitelijk bij de man verblijft, wordt hij volgens de wet vermoed de bezitter te zijn. En bezit leidt weer tot het vermoeden van eigendom. Dat vermoeden kan worden weerlegd, maar daarvoor is overtuigend bewijs nodig.
Onvoldoende bewijs
De rechter oordeelt dat de vrouw in dit kort geding onvoldoende bewijs levert om dit wettelijke vermoeden te ontkrachten. Beide partijen geven namelijk een verschillende uitleg over de aankoop en de afspraken na de relatiebreuk. Voor uitgebreid bewijs, bijvoorbeeld door getuigen of nader onderzoek, is in een kort geding geen ruimte. Het gevolg: de vordering om de hond terug te krijgen wordt afgewezen en de hond blijft vooralsnog bij de man.