Tussen twee vennoten botert het niet. De ene verwijt de andere dat hij buiten de vof klussen verricht. Dat verwijt is terecht, aldus de voorzieningenrechter.
Twee broers zijn vennoten van een vennootschap onder firma die isolatiewerkzaamheden verricht. De ene broer is de technicus, de andere de projectbeheerder. Vanwege een ernstig verstoorde verhouding zegt de projectbeheerder de vof-overeenkomst op. De technicus verwijt de projectbeheerder dat hij een concurrerende bv heeft opgericht en daarvoor ook werkzaamheden verricht. De technicus legt het geschil voor aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Concurrerende werkzaamheden
Zijn de concurrerende werkzaamheden door de projectbeheerder strijdig met de vof-akte? En handelt deze daarmee onrechtmatig? Het ging maar om een klusje van een paar honderd euro, geeft de projectbeheerder toe. De vof had te weinig capaciteit en om te voorkomen dat hij deze klant zou verliezen, liet hij de opdracht lopen via zijn bv. Hij deed dit dus in het belang van de vof en kreeg er bovendien niets voor betaald.
In strijd met vof-akte
Volgens de voorzieningenrechter is dit toch een concurrerende activiteit, omdat een opdracht werd omgeleid van de vof naar zijn bv. Dat de projectbeheerder dit kosteloos uitvoerde maakt dat niet anders, hij had dit immers direct namens de vof kunnen aanbieden. Door te wijzen op de bv bracht de projectbeheerder de naam ervan onder de aandacht van de klant. Dit handelen is in strijd met de bedoeling van de vof-akte.
Verbod
Dit incident maar ook de rol van de projectbeheerder bij de oprichting van de bv is voor de voorzieningenrechter aanleiding hem te verbieden om concurrerende activiteiten uit te voeren. Mocht de projectbeheerder zich niet aan het verbod houden, dan kan zijn broer in een nieuw kort geding dwangsommen vorderen.
Vrijheid van meningsuiting
Voor de technicus is dit niet voldoende: hij wil dat zijn broer aan bepaalde opdrachtgevers een brief stuurt waarin hij erkent dat hij onrechtmatig heeft gehandeld door die concurrerende bedrijfsactiviteiten uit te voeren, en dat hij en zijn bv deze activiteiten direct hebben gestaakt. Maar dit wijst de voorzieningenrechter af omdat een veroordeling dat iemand iets (onvoorwaardelijk) moet erkennen in strijd is met de vrijheid van meningsuiting. Verder is deze vordering ook gericht tot de bv, deze is niet gedagvaard en geen partij in dit kort geding. Tot slot moet voor toewijzing van de vordering aannemelijk zijn dat er op grote schaal contacten zijn gelegd en concurrerende activiteiten zijn verricht. Daarvan is niet gebleken.