Hoge dwangsommen zijn pijnlijk. Toch is het uitgangspunt dat de overheid slechts in uitzonderlijke gevallen afziet van invordering. Regel is: betalen. Ook in deze zaak.
Deze zaak gaat over een badpaviljoen in Friesland, een rijksmonument. Uit een gemeentelijke controle blijkt dat er werkzaamheden zijn uitgevoerd – de gevel is geverfd, kozijnen en het blikken plafond zijn vervangen – zonder omgevingsvergunning. Het college wil dat de eigenaar dit ongedaan maakt, anders verbeurt het badpaviljoen een dwangsom van € 60.000. Omdat er niets gebeurt, vordert het college dit bedrag. Met opnieuw de dwingende opdracht: maak de uitgevoerde werkzaamheden ongedaan, anders wordt de dwangsom € 110.000.
Nieuwe afspraken
Het paviljoen wordt verkocht en met de nieuwe eigenaar worden andere afspraken gemaakt: de lopende beroepsprocedure tegen het besluit over de eerste dwangsom wordt ingetrokken, dit bedrag wordt wel betaald, de bezwaarprocedure tegen de tweede dwangsom wordt ook stopgezet. Verder moet de eigenaar binnen zes maanden met een herstelplan komen en de constructie verbeteren. De gemeente neemt in die tijd geen (nieuwe) handhavings- en invorderingsbesluiten. Maar als de eigenaar weer uitstel wil omdat de constructie meer tijd kost, gaat de gemeente alsnog over tot invordering van de tweede (hoge) dwangsom. De eigenaar stapt naar de rechtbank, verliest zijn zaak en stelt hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Geen bijzondere omstandigheden
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet aan de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Slechts in bijzondere omstandigheden kan van invordering worden afgezien. En die waren er hier niet. Er was duidelijk afgesproken onder welke voorwaarden de gemeente na die zes maanden bereid zou zijn af te zien van de invordering. Partijen zijn het er over eens dat aan deze voorwaarden is voldaan. Dan hoeft het college niet van invordering af te zien.
Draagconstructie
Het badpaviljoen stelt dat zij niet aan de afgesproken voorwaarden kón voldoen omdat de betonnen draagconstructie in slechtere staat was dan verwacht. Maar dit leidt niet tot een ander oordeel. Al in 2007 had het badpaviljoen een monumentenvergunning aangevraagd, toen ook al met een herstelplan voor de fundering. Dus jaren geleden was al bekend dat de fundering niet goed was. De nieuwe eigenaar van het badpaviljoen wist dat ook: het herstel van de betonnen draagconstructie was immers meegenomen in de afspraken met de gemeente. Dat deze nieuwe eigenaar naar eigen zeggen uiteindelijk niet binnen de afgesproken zes maanden aan die afspraken kon voldoen, komt voor haar rekening en risico. De hoge dwangsom moet worden betaald.
Redelijke termijn
Meevallertje: omdat de procedure erg lang heeft geduurd, moet de Staat aan het badpaviljoen een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn betalen van € 500.