Voor het bestaan van een vennootschap onder firma (vof) is niet altijd een schriftelijke overeenkomst nodig. Als uit de gedragingen van partijen blijkt dat zij samen een onderneming voeren, kan toch sprake zijn van een vof. Dat oordeelt de rechtbank Den Haag in een geschil tussen twee echtgenoten over de afwikkeling van hun gezamenlijke juwelierszaak.
De echtgenoten waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met koude uitsluiting. In 2006 schreven zij samen een vof in bij de Kamer van Koophandel voor een juwelierszaak. De man werkte in de winkel, terwijl de vrouw onder meer de administratie verzorgde en contact onderhield met de boekhouder en belastingadviseur. Opvallend is dat partijen nooit een schriftelijke vennootschapsovereenkomst hebben opgesteld.
Relatiebreuk
Na de relatiebreuk stelt de man dat feitelijk nooit een vof heeft bestaan, maar slechts een eenmanszaak die om fiscale redenen als vof was gepresenteerd. Volgens hem had de vrouw daarom geen of hooguit een zeer beperkt aandeel in de onderneming.
Gedragingen zijn doorslaggevend
De rechtbank volgt dat standpunt niet. Voor een vof is weliswaar een overeenkomst nodig, maar die overeenkomst is vormvrij. Een schriftelijk contract is geen vereiste voor het ontstaan van een vof. Volgens de rechtbank wijzen verschillende omstandigheden juist op het bestaan van een vof. Zo hebben partijen de vof gezamenlijk ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, stonden zij beiden als onbeperkt bevoegde vennoten geregistreerd, bevatten de jaarrekeningen jarenlang kapitaalrekeningen van beide vennoten en schreef de gezamenlijke belastingadviseur later expliciet: ‘Jullie zijn een v.o.f. aangegaan (…) Het opmaken van een schriftelijk v.o.f.-contract vond jij destijds niet nodig.’ Dat de man achteraf stelde dat sprake was van een ‘eenmanszaak verkleed als vof’ om fiscale voordelen te behalen, vond de rechtbank onvoldoende onderbouwd.
Aandeel is 50/50
Vervolgens ontstaat discussie over de vraag welk aandeel ieder van de vennoten heeft. De man meent dat de vrouw nauwelijks aan de onderneming heeft bijgedragen en daarom hooguit recht heeft op 10 procent. Ook daarin gaat de rechtbank niet mee. Gedurende bijna twintig jaar zijn de jaarrekeningen, belastingaangiften en de UBO-registratie steeds uitgegaan van een gelijke verdeling. Omdat de man onvoldoende heeft onderbouwd waarom daarvan zou moeten worden afgeweken, stelt de rechtbank vast dat partijen een 50/50-verhouding zijn overeengekomen.
Onderneming wordt gewaardeerd
De vrouw had de vof inmiddels opgezegd. Daardoor is de vof ontbonden en moet de vennootschap worden verdeeld. Omdat de man de juwelierszaak wil voortzetten en de vrouw daarmee instemt, zal de onderneming aan hem worden toegedeeld. De rechtbank kondigt aan deskundigen te benoemen om de waarde van de voorraad, de onderneming en eventuele goodwill vast te stellen. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de privécollectie sieraden en horloges die de man bij de start van de onderneming heeft ingebracht.