Onrechtmatige concurrentie door oud‑werknemers of aandeelhouders
Ondernemingen investeren voortdurend in het opbouwen van een klantenbestand, het ontwikkelen van bedrijfsprocessen en het creëren van onderscheidende kennis. Deze immateriële bedrijfsbelangen kunnen ernstig worden bedreigd wanneer (oud-)werknemers of de eigen aandeelhouders zich richten op concurrerende activiteiten. Hoewel concurrentie op zichzelf is toegestaan, kan zij onder omstandigheden onrechtmatig zijn. Dit artikel gaat uit van de situatie dat over concurrerende activiteiten geen afspraken zijn gemaakt en bespreekt twee veel voorkomende vormen: concurrentie door oud‑werknemers en concurrentie door aandeelhouders ten opzichte van de vennootschap waar zij aandelen houden.
Mag een ex‑werknemer concurreren als er géén concurrentiebeding is?
Als algemene regel zou men kunnen aanhouden dat een oud‑werknemer na het einde van de arbeidsovereenkomst in beginsel vrij is om te concurreren met zijn voormalige werkgever. Dat is uiteraard anders als de werkgever en werknemer een geldig non‑concurrentiebeding zijn overeengekomen. Als een dergelijk beding echter niet is overeengekomen geldt dat het in beginsel niet onrechtmatig is om in dat verband gebruik te maken van de kennis en ervaring die de oud-werknemer in de werkzaamheden voor zijn voormalige werkgever heeft opgedaan. Ook deze vrijheid is op haar beurt echter niet beperkt. Als sprake is van bijzondere omstandigheden kent die vrijheid wel degelijk een grens en kan bepaald handelen als onrechtmatig worden aangemerkt. Voor de beoordeling van de vraag of zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen zijn in de rechtspraak normen ontwikkeld.
Welke criteria gebruikt een rechter om onrechtmatige concurrentie vast te stellen?
Het Boogaard/Veste-arrest, dat in de literatuur wordt gezien als het fundament van het leerstuk, bepaalt dat concurrentie onrechtmatig kan zijn wanneer een oud‑werknemer stelselmatig en doelbewust het bedrijfsdebiet van zijn voormalige werkgever aantast. Men moet wel bedenken dat deze vereiste (bijzondere) omstandigheden niet snel aanwezig zijn. De volgende criteria zijn dus van belang:
- Stelselmatig en substantieel afbreken van het bedrijfsdebiet.
- Het bedrijfsdebiet moet duurzaam zijn en mede met hulp van de werknemer zijn opgebouwd.
- Het gebruik van vertrouwelijke hulpmiddelen of bedrijfsinformatie.
De maatstaf voor aansprakelijkheid van de oud-werknemer zonder een op hem/haar toepasselijk concurrentiebeding is behoorlijk streng. Onderstaande onderwerpen kunnen in dit kader een rol spelen.
De rol van vertrouwelijke informatie
Een van de belangrijkste factoren is het gebruik van informatie die uitsluitend via de werkgever beschikbaar was. Denk aan klantgegevens, prijsstrategieën, marges, technische specificaties of andere vertrouwelijke bedrijfsinformatie. Wanneer een oud‑werknemer deze informatie inzet om een concurrerende onderneming te starten, kan dat worden gezien als het onrechtmatig profiteren van kennis die hij slechts in zijn functie kon verkrijgen.
Actieve en stelselmatige afwerving van klanten
Concurrentie kan ook onrechtmatig zijn wanneer een oud‑werknemer stelselmatig en structureel klanten van zijn oude werkgever benadert, vooral wanneer hij daarbij gebruikmaakt van bijzondere kennis over de klantrelatie. De rechter kijkt onder meer naar de intensiteit van de afwerving, de afhankelijkheid van bepaalde klanten en de vraag of de werknemer de klantrelaties zelf heeft opgebouwd of deze volledig aan de werkgever toebehoorden. Het enkele benaderen van relaties is op zichzelf niet verboden, maar wanneer dit gebeurt met oneigenlijke middelen of wanneer het in feite neerkomt op het parasiteren op de arbeidsgeschiedenis bij de oude werkgever, kan het wél onrechtmatig zijn.
Misbruik van bedrijfsmiddelen en voorbereiding tijdens dienstverband
Wanneer een werknemer al tijdens zijn dienstverband begint met het voorbereiden van een concurrerende onderneming — bijvoorbeeld door het gebruiken van bedrijfsresources, het benaderen van klanten of het kopiëren van data — is dat in de regel onrechtmatig. Het gaat dan niet om concurrentie ná uitdiensttreding, maar om schending van de verplichtingen tijdens het dienstverband. In zo’n geval kan dit handelen aangemerkt worden als schending van de norm uit artikel 7:611 BW.
Onrechtmatige concurrentie door aandeelhouders
Voor een vennootschap waarin een onderneming wordt geëxploiteerd kan het logischerwijs nadelig zijn als een van haar aandeelhouders direct met de vennootschap concurreert. Dat geldt temeer als die concurrentie betekent dat de vennootschap zelf klanten en omzet verliest. De vraag is of de vennootschap daar rechtens tegen kan optreden. Een vordering op de aandeelhouder zal doorgaans verlopen via het algemene leerstuk van de onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Voor een geslaagd beroep op dat artikel is (onder andere) benodigd dat de aandeelhouder in dit geval verweten kan worden dat hij een op hem rustende zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden. Daarvoor is nodig om te weten welke verplichtingen op hem als aandeelhouder rusten. Een aandeelhouder kan zonder diens toestemming doorgaans geen andere bijzondere verplichtingen worden opgelegd anders dan zijn stortingsplicht op de aandelen. In het algemeen geldt dus dat er (ook) geen verplichting bestaat voor een aandeelhouder om geen activiteiten te ontplooien die wellicht concurreren met die van de vennootschap waarin hij aandelen houdt. De vraag is dan of, en zo ja, onder welke omstandigheden die concurrentie mogelijk wel ontoelaatbaar is. Voor de vraag of een zorgvuldigheidsnorm geschonden is door de concurrentie, moet gekeken worden naar de wijze waarop de aandeelhouder zich heeft te gedragen jegens de vennootschap. Die norm vindt men in artikel 2:8 BW.
De norm van artikel 2:8 BW
Aandeelhouders zijn op grond van artikel 2:8 BW verplicht zich jegens de rechtspersoon en degene die krachtens de wet of statuten bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken, te gedragen naar de eisen van redelijkheid en billijkheid. Dit brengt echter niet mee dat aandeelhouders onder alle gevallen enkel rekening moeten houden met het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming, zoals dat voor het bestuur van een vennootschap wel geldt. Het nastreven van eigenbelang is voor de aandeelhouder in beginsel toegestaan, maar die vrijheid is evenwel niet onbegrensd. De grens van het nastreven van het eigenbelang is gelegen in de concrete werking van de zojuist bedoelde redelijkheid en billijkheid onder de gegeven omstandigheden. Ook hierbij geldt dat de maatstaf voor een normschending en aansprakelijkheid van de aandeelhouder op grond van artikel 6:162 BW (zeer) streng is. Hierbij moet bedacht worden dat het feitelijk handelen van een aandeelhouder dat niet onder zijn hoedanigheid van aandeelhouder te scharen is, niet (direct) onder de norm van art. 2:8 BW valt. De norm van art. 2:8 BW kan echter wel van belang zijn voor invulling van de normschending zoals die bij een algemeen beroep op art. 6:162 BW is vereist.
De aansprakelijkheid van een aandeelhouder voor concurrentie met de vennootschap waarin hij aandelen houdt is op grond van het voorgaande theoretisch mogelijk, maar van onrechtmatige concurrentie door een aandeelhouder is vrijwel nooit sprake. Wanneer de aandeelhouder bij een vennootschap echter niet alleen aandeelhouder is, maar ook een andere functie vervult (zoals bestuurder), kan dit de zaak veranderen. Doordat de aandeelhouder ook een andere rol heeft, wordt de ruimte om het eigenbelang na te streven verkleind en zal ook rekening gehouden moeten worden met het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming.
Conclusie
Onrechtmatige concurrentie vormt een wezenlijk risico voor bedrijven die afhankelijk zijn van bedrijfsgeheimen, klantrelaties en strategische kennis. Zowel oud‑werknemers als aandeelhouders kunnen onder omstandigheden onrechtmatig handelen wanneer zij concurreren met de onderneming. De maatstaf voor aansprakelijkheid is bij het gebrek aan contractuele afspraken in beide gevallen streng, zo niet zeer streng. Zorg daarom altijd voor heldere contractuele afspraken en tijdige juridische interventie als het misgaat.
Indien u een geschil heeft dat betrekking heeft op deze onderwerpen is het raadzaam om in een vroeg stadium juridisch advies in te winnen, zodat de schade beperkt kan worden. Neem contact op voor een praktisch en resultaatgericht advies op maat.