Is een woningeigenaar ongerechtvaardigd verrijkt als zij haar woning verkoopt en daar goed aan verdiend?
In deze procedure staan een stiefdochter en stiefvader tegen over elkaar. De stiefdochter koopt een huis voor € 225.000. De stiefvader, zelf aannemer, koopt bouwmaterialen om de woning te verbouwen. Als de moeder en dochter gebrouilleerd raken, stopt de man met de werkzaamheden. Enkele jaren later verkoopt de stiefdochter het huis voor € 360.000. De man wil dat zij hem de kosten van de bouwmaterialen (€ 25.000) terugbetaalt. De stiefdochter is immers ongerechtvaardigd verrijkt, stelt hij.
Ongerechtvaardigde verrijking
In het Burgerlijk Wetboek staat dat iemand die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht is – voor zover dit redelijk is – diens schade te vergoeden tot het bedrag van de verrijking. De kantonrechter oordeelde eerder dat van ongerechtvaardigde verrijking geen sprake was. Er was immers een redelijke grond voor de verbouwing en de bekostiging door de man. Die redelijke grond betrof een afspraak die de stiefdochter had gemaakt met haar moeder en stiefvader: zij mochten gebruik maken van het huis als de dochter in het buitenland was. Zij zouden dus profijt hebben van het verbouwde huis.
Familiegeschil
Maar dat geldt niet meer, vindt de man: vanwege het familiegeschil konden ze geen gebruik meer maken van de woning, en al helemaal niet meer toen de stiefdochter het huis ging verhuren. Daar is het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden – waar het conflict al is beland – het mee eens. Nu de redelijke grond voor een verrijking is komen te vervallen, is deze alsnog ongerechtvaardigd.
Waardestijging
De man stelt dat de stiefdochter door de levering van de materialen is verrijkt, omdat de woning door de verbouwing is verbeterd én in waarde is gestegen. Daar is de stiefdochter het niet mee eens: de waardestijging van het huis is slechts het gevolg geweest van de stijgende prijzen op de huizenmarkt. Of dat klopt laat het hof in het midden. Een verrijking is niet alleen gelegen in een waardevermeerdering maar ook in de besparing van kosten.
Kostenbesparing
Duidelijk is dat de stiefdochter de bovenverdieping wilde aanpassen, ook omdat het huis gedateerd was. De verbouwing was háár idee, niet de wens van de moeder en haar man. Tijdens de verbouwing ontdekte de man een constructiefout, wat tot extra aanpassingen heeft geleid, die ook door hem zijn betaald. De stiefdochter is dus verrijkt als gevolg van de bouwmaterialen die de man heeft aangeschaft. Zij moet € 25.000 aan haar stiefvader terugbetalen, en nog ruim € 6.000 aan proces- en advocaatkosten.