Een buurman laat een sloot graven op de perceelgrens. Jaren later vraagt de andere buur de gemeente om daartegen handhavend op te treden. Volgens hem was een vergunning nodig voor het graven van de sloot.
De gemeente wijst het verzoek af. In bezwaar en beroep vangt de man ook bot. Reden voor hem om in hoger beroep te gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zorgvuldigheidsbeginsel
Bij de Afdeling stelt de man voorop dat het college heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door op zijn bezwaar te beslissen zonder het advies van de bezwaarschriftencommissie af te wachten. Dat kan de Afdeling goed volgen. Want, zo vindt de Afdeling, de bezwaarschriftencommissie is een adviescommissie in de zin van artikel 7:13 Awb, en niet een adviseur als bedoeld in artikel 3:5 Awb. Dit betekent dat als een bestuursorgaan beslist zonder advies van de bezwaarschriftencommissie het besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.
Inhoudelijk
Dat het besluit inhoudelijk uitgebreid is gemotiveerd en ingaat op alle bezwaargronden, verandert dit oordeel niet. Zorgvuldigheid gaat niet alleen over de inhoud van een besluit, maar ook over de manier waarop het tot stand komt. Door de bezwaarprocedure af te ronden zonder het aangekondigde advies af te wachten, heeft het college dat beginsel geschonden. Alleen als het bestuursorgaan van alle mogelijkheden om het besluit te verdagen gebruik zou hebben gemaakt, had het zonder advies mogen besluiten, aldus de Afdeling. Maar daar was geen sprake van.
Geen overtreding
Dat het college het handhavingsverzoek afwees, begrijpt de Afdeling echter wel. Vaststaat dat de sloot in het verleden is gegraven en dat daarvoor destijds geen vergunning nodig was. En er is geen sprake van latere vergunningplichtige werkzaamheden, zoals verdiepen of verbreden van de sloot. Ook uit luchtfoto’s en terreinbezoek volgen daarvoor geen aanwijzingen. Dit betekent uiteindelijk dat de buurman niet zo veel aan de uitspraak heeft: het college hoeft niet te handhaven.