Een politieke vereniging die deelnam aan de gemeenteraadsverkiezingen in Amsterdam kreeg geen inhoudelijk oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over haar klachten over het verkiezingsproces. Volgens de vereniging was sprake van een ongelijk speelveld voor kleinere en nieuwe politieke partijen. De Afdeling verklaarde zich echter onbevoegd om het beroep te behandelen.
De vereniging deed mee aan de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2026. Zij stelde niet de verkiezingsuitslag of zetelverdeling zelf ter discussie, maar vond dat kleinere partijen tijdens de verkiezingen geen reële en gelijkwaardige kans kregen ten opzichte van grotere politieke partijen. Volgens de vereniging zou de bestuursrechter hierover een oordeel moeten kunnen geven, mede gelet op het recht op vrije verkiezingen uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Geen beroep mogelijk bij bestuursrechter
De Afdeling oordeelt dat de wet expliciet uitsluit dat beroep kan worden ingesteld tegen besluiten over de vaststelling van verkiezingsuitslagen. In de Algemene wet bestuursrecht staat namelijk dat tegen zulke besluiten geen beroep openstaat bij de bestuursrechter. Dat geldt zowel voor het besluit van het centraal stembureau over de verkiezingsuitslag als voor het besluit van de gemeenteraad om met die uitslag in te stemmen. Daardoor komt de Afdeling niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klachten van de vereniging over het vermeende ongelijke speelveld.
Mogelijk wel naar burgerlijke rechter
Volgens de Afdeling betekent dit niet dat er helemaal geen rechtsbescherming bestaat. Als uit het EVRM een recht op toegang tot de rechter voortvloeit bij verkiezingsgeschillen, dan kan de burgerlijke rechter daar mogelijk wel over oordelen. De bestuursrechter is daarvoor in ieder geval niet bevoegd. De Afdeling verklaart zich daarom onbevoegd om het beroep te behandelen. Wel krijgt de vereniging het betaalde griffierecht terug.