Als een bank weet dat een klant failliet dreigt te gaan, mag het binnenkomende en uitgaande betalingen niet verrekenen. Dat was de hoofdregel en dat blijft de hoofdregel, aldus de Hoge Raad.
Een café-restaurant (BV) werd door een bank gefinancierd. Er gold een kredietlimiet van € 25.000. Door de coronacrisis moest de vennootschap haar restaurant noodgedwongen sluiten en werd later op eigen verzoek failliet verklaard. In de week voorafgaande kreeg de BV via een coronaregeling nog ruim € 15.000 aan NOW-subsidie. De curator wil dat de bank dit bedrag overmaakt naar de boedelrekening, wat de bank weigert. De curator begint een procedure.
Bijzondere positie
In de Faillissementswet staat dat een bank, als zij weet of behoort te weten dat het faillissement van een klant is te verwachten, een inkomende betaling niet mag verrekenen met het saldo op de rekening-courant van die klant. Daarmee wordt voorkomen dat de bank bij een dreigend faillissement van de klant enkel vanwege haar bijzondere positie in het girale betalingsverkeer nog in staat is om zich via verrekeningen te bevoordelen ten opzichte van de andere schuldeisers.
Gerechtvaardigd bevoordeeld
Maar dat is hier niet aan de orde, aldus het hof, voor zover de bank daarna nog uit de kredietruimte betalingsopdrachten van de klant uitvoert. De bank is dan niet gerechtvaardigd bevoordeeld boven andere schuldeisers. Als verrekening in zo’n geval niet zou mogen, zou de bank juist nadeel ondervinden van haar centrale positie in het betalingsverkeer, omdat zij de uitgaande betalingen dan mogelijk voor eigen rekening zou moeten nemen.
Verrekeningsregels
Volgens de curator wijkt het hof hiermee af van de vaste rechtspraak van de Hoge Raad: een bank kan haar vorderingen op de rekeninghouder niet verrekenen met schulden van de bank aan de rekeninghouder als zij daarbij niet te goeder trouw handelt. Dit hof heeft, ten gunste van banken, een nieuwe uitzondering op de verrekeningsregels gecreëerd. Zo krijgen banken een uitzonderingspositie in het betalingsverkeer en kunnen ze een verstoring faciliteren van de rangorde en (daarmee) benadeling van de gezamenlijke schuldeisers. Daarom ging de curator in cassatieberoep.
Geen verrekening
Verrekenen is toegestaan, aldus de Hoge Raad, maar de Faillissementswet bepaalt dat degene die een schuld aan de gefailleerde of een vordering op de gefailleerde vóór de faillietverklaring van een derde heeft overgenomen, niet bevoegd is tot verrekening, indien hij bij de overneming niet te goeder trouw heeft gehandeld. Ofwel: een bank mag zich, na het moment waarop zij niet meer te goeder trouw is, niet op verrekening beroepen ten aanzien van betalingen die binnenkomen op de rekening die de klant bij de bank aanhoudt. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om een uitzondering te maken op de bestaande rechtspraak. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing. De curator had dus gelijk.