Als aanvullende afspraken over concurrerende werkzaamheden niet voldoen aan de wettelijke eisen voor een concurrentiebeding, kunnen zij toch een rol spelen bij de uitleg van een bestaand concurrentiebeding. Dat blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland in kort geding.
Twee werknemers zijn jarenlang werkzaam bij een onderneming die bouwplaatsen beveiligt. Tijdens hun dienstverband starten zij, met toestemming van hun werkgever, een eigen onderneming voor het maken van timelapsebeelden van bouwprojecten. In hun eigen voorstel schrijven zij dat deze activiteiten 'geen dienst zijn voor' hun werkgever en dat zij 'niet botsen met werkzaamheden' van de werkgever. Ook wordt uitgelegd dat een timelapsecamera een ander doel heeft dan het beveiligingssysteem van de werkgever. Met de timelapsecamera kunnen klanten of anderen meekijken bij bouwprojecten. De timelapsecamera is niet bedoeld als beveilingscamera.
Uit dienst
Bij hun vertrek uit dienst spreken partijen opnieuw af dat de eigen onderneming zich bezighoudt met 'time-laps (webcam) oplossingen, geen bouwplaatsbeveiliging'. Later blijkt echter dat de onderneming ook zogenoemde PIR-detectiesystemen aanbiedt die beweging registreren en automatisch meldingen en foto's versturen. De werkgever stelt dat daarmee het concurrentiebeding van de oud-werknemers wordt overtreden.
Aanvullende afspraken
De werkgever beroept zich eerst op de aanvullende afspraken die tijdens en bij het einde van het dienstverband zijn gemaakt. De kantonrechter wijst erop dat zulke afspraken werknemers beperken in hun mogelijkheden om na afloop van het dienstverband werkzaamheden te verrichten. Daarmee zijn het in feite concurrentiebedingen. Omdat deze afspraken niet afzonderlijk schriftelijk als concurrentiebeding zijn overeengekomen, kan de werkgever ze niet zelfstandig afdwingen.
Uitleg
Dat betekent volgens de kantonrechter echter niet dat de afspraken geen betekenis meer hebben. Bij de uitleg van het schriftelijke concurrentiebeding mogen zij juist wél meewegen. Omdat partijen hadden afgesproken dat de eigen onderneming uitsluitend time-lapse-oplossingen zou aanbieden en geen bouwplaatsbeveiliging, mocht de werkgever ervan uitgaan dat beveiligingsactiviteiten onder het concurrentiebeding vielen. De rechter oordeelt vervolgens dat de aangeboden PIR-detectiesystemen daadwerkelijk bouwplaatsbeveiliging vormen. Deze systemen zijn immers bedoeld om buiten werktijd beweging te detecteren en meldingen met beelden te versturen, zodat kan worden ingegrepen. Dat is iets wezenlijk anders dan het maken van time-lapse-beelden voor marketingdoeleinden. De werknemers moeten daarom de PIR-detectiesystemen binnen 24 uur verwijderen en zich gedurende de looptijd van het concurrentiebeding (vijf jaren na het einde van de arbeidsovereenkomst) onthouden van concurrerende werkzaamheden. Aan dat verbod wordt een dwangsom verbonden.